CIVIEL

 

Onverschuldigde betaling, wettelijke rente en verzuim Indien een effectenleaseovereenkomst wordt vernietigd op de voet van art. 1:88 jo 1:89 BW (vanwege het ontbreken van de vereiste handtekening van een echtgeno(o)t(e)), ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen voor hetgeen achteraf bezien onverschuldigd is betaald (art. 6:203 BW), en waarover bij verzuim wettelijke rente is verschuldigd. Dit verzuim treedt zonder ingebrekestelling in, indien de ontvanger de betaling te kwader trouw heeft ontvangen (art. 6:205 BW). Voor kwade trouw is vereist dat de ontvanger wist of vermoedde dat de betaling niet verschuldigd was. Daarvoor is in dit geval onvoldoende dat de ontvanger ervan op de hoogte is dat art. 1:88 BW op dit soort overeenkomsten van toepassing is en dat de handtekening van de echtgeno(o)t(e) ontbreekt. Vereist is tevens dat de ontvanger ten tijde van de ontvangst van de betalingen wist of vermoedde dat zijn contractspartij gehuwd was en dat vernietiging van de overeenkomst door de echtgeno(o)t(e) zou worden ingeroepen. Dit betekent niet dat van kwade trouw nooit sprake kan zijn, zolang de overeenkomst niet is vernietigd. De omstandigheden waaronder de overeenkomst is aangegaan kunnen de kans op vernietiging zodanig groot maken dat subjectieve kennis van onverschuldigdheid van daaruit voortvloeiende betalingen kan worden aangenomen. De ontvanger kan daarnaast nog gehouden zijn tot vergoeding van feitelijk genoten voordelen van een onverschuldigd verrichte prestatie (art. 6:206 BW).

ECL:NL:HR:2019:506

CIVIEL

 

Prejudiciële vragen over auteursrecht en de vrijstelling voor hosting Brein betoogt dat NSE, een exploitant van een platform voor Usenetdiensten, inbreuk heeft gemaakt op auteursrechten en naburige rechten van degenen van wie Brein de belangen behartigt, door mededeling van hun werken aan het publiek in de zin van art. 3.1 Auteursrechtrichtlijn. Het hof heeft NSE gevolgd in haar betoog dat zij ingevolge art. 6:196c lid 4 BW, de implementatie van art. 14 e-Commercerichtlijn, is gevrijwaard van iedere aansprakelijkheid, omdat haar diensten een louter technisch, automatisch en passief karakter zouden hebben. De HR ziet zich genoodzaakt hierover prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Er bestaat onder meer gerede twijfel over het antwoord op de vraag of NSE een 'mededeling aan het publiek' heeft verricht en of reeds daarom moet worden geoordeeld dat NSE een actieve rol heeft gespeeld die in de weg staat aan een geslaagd beroep op de vrijstelling.

ECL:NL:HR:2019:503

CIVIEL

 

 

Uitleg grief tegen het passeren van een bewijsaanbod  De HR bevestigt dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, die behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht. Bij de uitleg van de memorie van grieven of het appelverzoekschrift kan mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde respectievelijk de verweerder in hoger beroep de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen. Een grief die opkomt tegen het passeren van een bewijsaanbod kan tevens worden uitgelegd als grief tegen de verwerping van de stelling ter onderbouwing waarvan het te bewijzen aangeboden feit diende.

ECLI:NL:HR:2019:505

 

 

STRAF

Meineed tijdens verhoor Parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties Tijdens een verhoor van de Parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties (PECW) heeft de oud-bestuursvoorzitter van woningstichting Rochdale onder ede een valse verklaring afgelegd. Dit heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging ter zake van meineed. Het hof heeft de oud-bestuursvoorzitter veroordeeld en hierbij de verklaring die de oud-bestuursvoorzitter bij de PECW heeft afgelegd, in de strafzaak gebruikt als bewijsmiddel. Hieraan staat volgens het hof niet in de weg dat de oud-bestuursvoorzitter verplicht was om een verklaring af te leggen tegenover de PECW. De HR oordeelt ook dat het recht op een eerlijk proces niet in de weg staat aan het gebruik van de PECW-verklaring als bewijsmiddel. Dat er tijdens het verhoor van de PECW al een verdenking ter zake van corruptie bestond jegens de oud-bestuursvoorzitter, maakt dit volgens de HR niet anders.

ECLI:NL:HR:2019:441