In december 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten om een “uitgifteronde” voor exploitatievergunningen voor passagiersvervoer (rondvaartboten en waterfietsen) te organiseren.  Het college heeft deze uitgifteronde onder meer bekendgemaakt door een advertentie in Het Parool te plaatsen. In deze advertentie stond tot wanneer aanvragen konden worden ingediend en waar informatie over de voorwaarden kon worden gevonden. Een interessante vraag is of er een verplichting bestaat om deze advertentie te plaatsen en, in het verlengde daarvan, of het ontbreken van een dergelijke publicatie voor de bestuursrechter reden is om de verleende vergunning te vernietigen.

Dit is een concreet voorbeeld van een procedure waarbij zogenaamde “schaarse besluiten” worden verdeeld. In NTB 2014/11 is een artikel van mij verschenen waarin ik inga op de vraag in hoeverre de transparantieverplichting een rol zou kunnen en moeten spelen bij de verdeling van deze schaarse besluiten.

Deze transparantieverplichting vindt haar oorsprong in het Unierecht. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat op grond van het transparantiebeginsel alle potentiële aanbieders voor het schaarse besluit in aanmerking moeten kunnen komen. Hiervoor is een passende bekendmaking noodzakelijk.

Als het wenselijk wordt geacht om deze publicatieplicht ook te introduceren voor situaties waarop het Unierecht niet van toepassing is, dan zou dat reden kunnen zijn om een ‘transparantiebeginsel’ in Nederland te erkennen. Een alternatief zou kunnen zijn om de transparantieverplichting te baseren op reeds bestaande algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel. De transparantieverplichting zou dan een onderdeel zijn van reeds bestaande algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ten slotte zou voor dit soort gevallen natuurlijk een algemene bekendmakingsverplichting kunnen worden opgenomen in de Awb. In dit artikel wordt ik op deze drie mogelijkheden ingegaan.

In essentie kan het door mij gewenste eindresultaat, te weten dat transparantieverplichtingen in acht moeten worden genomen door bestuursorganen bij de verdeling van schaarse besluiten, op alle drie genoemde manieren worden bereikt. Aan alle drie opties zijn voor- en nadelen verbonden. Welke aanpak de voorkeur verdient, zal deels worden beïnvloed door de visie die men heeft op de rol van beginselen en de rol van de Awb in het Nederlands bestuursrecht in het algemeen: zouden meer ongeschreven rechtsbeginselen gecodificeerd moeten worden in de Awb of is de huidige codificatie ‘light’ afdoende? Na afweging van alle voor- en nadelen, kom ik tot de conclusie dat de transparantieverplichting het best door de Nederlandse bestuursrechter kan worden erkend als onderdeel van het (formele) gelijkheidsbeginsel (of beginsel van gelijke kansen). Het identificeren van het (formele) gelijkheidsbeginsel als fundamenteel beginsel dat aan de verdeling van schaarse besluiten ten grondslag ligt, kan ervoor zorgen dat de bijzondere aard van schaarse besluiten beter wordt gearticuleerd. Uit dit beginsel vloeien vervolgens transparantieverplichtingen voort die in acht moeten worden genomen om te garanderen dat alle potentiële aanvragers gelijke kansen krijgen bij de verdeling van schaarse besluiten.