In dit geval gaat het om klachten waarop de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op 6 juli 2016 heeft besloten dat de gemeente Hellevoetsluis de Wet Markt en Overheid heeft overtreden.

De gemeente exploiteerde ligplaatsen in gemeentelijke jachthavens zonder daarbij in de jaren 2014 en 2015 alle kosten in rekening te brengen. Die kosten had de gemeente integraal moeten doorberekenen aan de gebruikers van de ligplaatsen. Zogenaamde signaalverstrekkers (concurrenten) hadden daarover een klacht ingediend. Tegen dit besluit heeft de gemeente een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar wordt gedeeltelijk gegrond verklaard.

De gemeente was het niet eens met de toerekening van de integrale kosten, waarbij het geschil liep over welk deel aan de ligplaatsen in de boxen moest worden toegerekend. De gemeente meende dat de kosten van de haveninfrastructuur (onderhoud en kapitaalkosten van bruggen, sluizen, en kades) niet toerekenbaar zijn aan de ligplaatsen in boxen. ACM meent dat bij de kostendoorberekening in elk geval de operationele kosten, afschrijvings- en onderhoudskosten en vermogenskosten in aanmerking dienen te worden genomen. Verder worden bij de kostendoorberekening, de kosten van productiemiddelen die geheel of gedeeltelijk worden aangewend voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten, naar rato van het gebruik van die productiemiddelen toegerekend aan die goederen of diensten, ongeacht of het directe of indirecte kosten betreft. ACM volgt het college niet in zijn standpunt dat de instandhouding van de betreffende kades, bruggen en sluizen door de gemeente Hellevoetsluis, bij (volstrekte) uitsluiting een overheidstaak betreft. Dat de kades, bruggen en sluizen ook zonder de gemeentelijke exploitatie van ligplaatsen in stand zouden worden gehouden vanwege hun publieke functie, sluit naar het oordeel van ACM niet uit dat de daaraan verbonden kosten gedeeltelijk moeten worden toegerekend aan de (exploitatie van de) ligplaatsen in boxen. Het college erkende immers dat de gemeentelijke ligplaatsen niet zouden kunnen bestaan als die algemene voorzieningen, die onderdeel uitmaken van de gemeentelijke havens en als zodanig van belang zijn voor het functioneren daarvan, niet zouden zijn aangelegd. ACM is van oordeel dat deze toepassing van het kostenveroorzakingsbeginsel strookt met het algemene bedrijfseconomische principe dat gemeenschappelijk gebruik van goederen, diensten en werkzaamheden voor/door meerdere activiteiten, moet leiden tot toerekening van kosten van die goederen, diensten en werkzaamheden aan de diverse activiteiten. Voorop dient immers te staan dat ook indirecte kosten die in enig verband staan met de economische activiteit volledig in rekening worden gebracht aan de afnemers. Het college voerde aan dat bij een kostenverdelingspercentage, 50% een willekeurig percentage is. ACM oordeelt echter dat geen van beide functies (ondersteuning havenactiviteiten / openbare functie) dominant is en dus 50% een redelijke toedeling.

De gemeente betoogde voorts dat geen waarde diende te worden toegekend aan het gebruik van jachthavenwater. Het college stelt verder dat, indien het water al een waarde vertegenwoordigt, de waarde van het water hoogstens EUR 15 per m² bedraagt. ACM oordeelt echter dat ook al is een goed om niet verkregen, toch van de marktwaarde dient te worden uitgegaan en kan gezien de verstrekte taxatierapporten instemmen met het bedrag van EUR 15 per m². Hierna volgt een uitgebreide berekening van de doorberekening van de integrale kosten van goederen of diensten, die dient te geschieden op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen bedrijfseconomische principes. De eindconclusie is dat ACM na heroverweging van oordeel is dat zij op grond van artikel 70c, aanhef en onderdeel a, Mw had moeten verklaren dat het college artikel 25i, eerste lid, Mededingingswet in het kalenderjaar 2015 heeft overtreden bij de exploitatie van ligplaatsen in boxen, doordat zij niet de integrale kosten van deze dienst heeft doorberekend. Het behaalde resultaat in kalenderjaar 2015 was immers negatief. Het bestreden besluit is door ACM dienovereenkomstig herroepen.

Wat valt hiervan te leren? Het uitgangspunt van de Wet M&O is dat overheidsorganisaties de vrijheid hebben om “economische activiteiten” te verrichten (en daarbij mogelijk met particuliere ondernemingen concurreren), maar dat ze zich daarbij wel aan een aantal specifieke (gedrags)regels moeten houden. Naar onze mening blijkt uit deze beslissing op bezwaar dat het van groot belang is om exploitatiekosten zeer zorgvuldig door te rekenen en te motiveren. In wezen kan dat natuurlijk al in een eerder stadium, te weten bij het vaststellen van de gemeentelijke begroting bijvoorbeeld.