Een Roemeense bank sluit een kredietovereenkomst met een consument in Zwitserse frank. Krachtens een beding in de overeenkomst waren de consumenten verplicht om de maandelijkse aflossingen eveneens in Zwitserse frank te doen, terwijl zij hun inkomsten in de Roemeense leu ontvingen. Ingevolge dit beding kwamen alle wisselkoersschommelingen uitsluitend ten laste van de consument-kredietnemer. [1]

In een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie stelde zich de vraag of zulk beding onder het toepassingsgebied van Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (‘Richtlijn 93/13’)[2] valt.

Het Hof liet het vooreerst aan de verwijzende rechter om te beoordelen of een beding krachtens hetwelk het krediet in dezelfde valuta als de lening moet worden terugbetaald een dwingende wettelijke nationale bepaling betreft. In dat geval immers zou dergelijk beding niet aan de richtlijn zijn onderworpen (art. 1, lid 2 van de richtlijn).

Interessanter is de conclusie van het Hof dat zulk beding wordt beschouwd als een van de bedingen die “de kern van de prestaties van de overeenkomst bepalen”, en aldus uitgezonderd kunnen worden van de beoordeling onder Richtlijn 93/13 omdat het bedingen zijn die het ‘eigenlijk voorwerp van de overeenkomst’ uitmaken (art. 4, lid 2). De wezenlijke prestaties van een kredietovereenkomst hebben immers betrekking op een geldbedrag dat wordt betaald en terugbetaald en dat wordt bepaald op basis van een vastgelegde valuta. Het betreft dan ook de aard zelf van de verplichting van de schuldenaar, en derhalve een wezenlijk onderdeel van de kredietovereenkomst.

Deze bedingen ontsnappen evenwel uitsluitend aan de beoordeling van hun oneerlijke karakter voor zover zij duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Hiervoor volstaat het niet dat zij formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn. Vereist is dat de concrete werking van het mechanisme van het beding, en de verhouding ervan met de rest van de overeenkomst duidelijk is zodat de consument transparant de economische gevolgen ervan kan inschatten. Het Hof verduidelijkte o.m. dat bij een beding zoals dat in casu, de financiële instelling de kredietnemer duidelijk dient te informeren over het feit dat hij zich blootstelt aan een wisselkoersrisico dat mogelijks een economisch zware last met zich mee kan brengen. Tot slot stelde het Hof dat bij de beoordeling of er sprake is van een verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3 (1) van Richtlijn 93/13 men rekening moet houden met het moment waarop de overeenkomst is gesloten maar ook met de omstandigheden waarvan de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte had kunnen zijn.