In een arrest van 17 november 2016 bevond het Hof van Justitie een Oostenrijke validatie van onwettige projecten in strijd met het Unierecht. De validatie had betrekking op projecten die in strijd met de Europese milieueffectbeoordelingsverplichting waren gerealiseerd.

Het arrest is ook van belang voor de Belgische rechtsorde. De verschillende wetgevers in ons land zijn immers niet vies van validaties, in het bijzonder in het domein van de ruimtelijke ordening en het milieurecht.

Het belang van een milieueffectbeoordeling

De milieueffectbeoordeling van projecten en de inspraakrechten die daarmee gepaard gaan, vormen het Alfa en Omega van het thans geldende milieurecht.

De milieueffectbeoordeling beoogt bij te dragen tot een hoge bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu. Deze bescherming van mens en milieu wordt niet enkel gerealiseerd door de technische milieureglementering, maar ook, en bovenal, door een voorafgaande beoordeling van de effecten van het project op mens en milieu en de betrokkenheid van het publiek in het proces.

De milieubeoordelingsverplichting voor projecten en de inspraakrechten die daarmee gepaard gaan, maken het voorwerp uit van zowel internationale (Verdragen van Aarhus en Espoo) als Europeesrechtelijke (Richtlijn 2011/92/EU of “project-m.e.r.-richtlijn”) reglementering uit.

Oostenrijkse validatie van onwettige projecten

Oostenrijk had bij de omzetting van de project-m.e.r.-richtlijn in het verleden wat moeilijkheden. Nogal wat projecten waarvoor overeenkomstig die richtlijn een milieueffectbeoordeling had moeten worden uitgevoerd, zijn zonder een dergelijke beoordeling tot stand gekomen. In het belang van de rechtszekerheid werden deze projecten door de Oostenrijkse wetgever dan ook bij wet gevalideerd.

Oordeel Hof van Justitie

De Oostenrijkse regeling is volgens het Hof niet verenigbaar met het Unierecht.

Ten eerste stelt het Hof vast dat de regeling niet voldoet niet aan de uitzondering voorzien in de project-m.e.r.-richtlijn:

  • de nationale wet lijkt niet dezelfde kenmerken te vertonen als een vergunning; en
  • de wetgever leek op het moment dat de kwestieuze regeling werd aangenomen niet over informatie te beschikken over de milieueffecten van de betrokken projecten.

Ten tweede bevindt het Hof de nationale regeling in strijd met de algemene beginselen van het Unierecht:

  • de regeling heeft tot rechtsgevolg dat de onwettige projecten uit kracht van wet worden geacht aan een milieueffectbeoordeling te zijn onderworpen. Nochtans wordt er niet voorzien in een beoordeling achteraf, hetgeen nuttig is om het publiek en de bevoegde instanties alsnog te informeren over de milieueffecten van deze projecten. Voor deze regeling worden geen buitengewone of uitzonderlijke omstandigheden aangehaald;
  • de regeling heeft tot rechtsgevolg dat de autoriteiten dienen uit te gaan van de fictie dat het onwettige project werd onderworpen aan een milieueffectbeoordeling. Dit is niet redelijk in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel;
  • in de mate dat de regeling tot rechtsgevolg zou hebben dat iedere vordering tot rechtsherstel van een niet-nakoming van de milieueffectbeoordelingsverplichting verhindert schendt het eveneens het Unierecht.

Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt immers dat een lidstaat alle schade ten gevolge van het verzuim van een beoordeling van de milieueffecten dient te vergoeden. Hiertoe dienen de bevoegde autoriteiten alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen om een dergelijk verzuim te herstellen.

De grenzen van wettelijke validaties

In België getuigt de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof al langer van een zekere gestrengheid tegenover decretale validaties in het domein van de ruimtelijke ordening en het milieurecht. In het arrest nr. 114/2013 van 31 juli 2013 oordeelde het Hof met name dat een decretale validatie van ruimtelijke uitvoeringsplannen die op grond van een onregelmatige milieueffectbeoordeling tot stand kwamen, slechts als “uiterste redmiddel” kan worden aangewend.

Het Hof van Justitie werpt nu een bijkomend licht op de grenzen van een wettelijke validatie van vergunningen die tot stand kwamen met schending van het Unierecht, in het bijzonder wat de milieueffectbeoordelingsverplichting betreft.

Voor de burger is het van belang te weten dat de validatie van een schending van het Unierecht, en de milieueffectbeoordelingsverplichting in het bijzonder, niet op disproportionele wijze afbreuk kan doen aan het recht op herstel. Het kan daarbij gaan om een herstel in natura of bij equivalent (schadevergoeding).

De wetgever dient er zich bij de redactie van een nieuwe validatie bovendien van te vergewissen dat de verplichtingen onder het Unierecht, en de milieueffectbeoordelingsverplichting in het bijzonder, in de mate van het mogelijke worden gerespecteerd. Bovendien mag een validatie geen afbreuk doen aan het herstelrecht dat de burger ontleend aan de schendingen van het Unierecht. Ook daarmee moet de wetgever bij validaties rekening houden.