Kern

Op 13 april 2018 heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen over de standaard opzetclausule in de particuliere aansprakelijkheidsverzekering (AVP). Daarmee is een einde gemaakt aan jarenlange onduidelijkheid en discussie in de markt. De uitkomst van deze individuele zaak (kort gezegd: de verzekeraar mag geen beroep doen op de opzetclausule) doet niet direct vermoeden dat de Hoge Raad een bijzonder genuanceerd oordeel heeft gegeven, met belangrijke gezichtspunten én beoordelingsvrijheid voor de feitenrechter. De conclusie dat ‘verzekeraars altijd moeten betalen bij een misdrijf met letsel tot gevolg’, zou dan ook een totaal verkeerde zijn.

Wat de Hoge Raad dan wél zegt? Kort samengevat dit:

“Uitgangspunt” is dat sprake moet zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het daadwerkelijk toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

Gelet op het feit dat verzekeraars zelf al in 2000 hebben toegelicht dat er bij toepassing van deze clausule ruimte moet zijn voor maatwerk, is er soms aanleiding om bij een schadevoorval dat op zichzelf aan voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule voldoet, te oordelen dat de clausule vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval desondanks niet van toepassing is. De grond daarvoor kan in zodanig geval – naast de beoordelingsruimte die al in de voorwaarden zelf ligt besloten – ook gevonden worden in het vereiste dat het moet gaan om schade “veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit” de opzettelijke en onrechtmatige gedraging van de verzekerde. Bij de beoordeling of de schade voor de toepassing van de opzetclausule in redelijkheid aan die gedraging kan worden toegerekend, komt gewicht toe aan diverse factoren, waaronder:

  • de aard van de onrechtmatige gedraging van de verzekerde;
  • de omstandigheden waaronder deze is verricht;
  • de mate waarin de verzekerde een verwijt van zijn gedraging gemaakt kan worden of andere subjectieve omstandigheden aan diens zijde; en
  • de aard en de ernst van de schadelijke gevolgen,
  • een en ander bezien in het licht van de strekking en maatschappelijke betekenis van de AVP.

Feiten en achtergrond

Deze zaak gaat over een vader die in 2008 meermalen en met kracht zijn baby door elkaar heeft geschud, met bloedingen tot gevolg. Bij de baby is door het ziekenhuis het ‘shaken baby syndroom’ vastgesteld.

De vader had bij Reaal een AVP afgesloten. In de polisvoorwaarden stond de sinds 2000 standaard gehanteerde opzetclausule:

“Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten.”

In het kader van de strafzaak tegen de vader is door een forensisch psycholoog onderzoek verricht. De conclusie was dat de vader waarschijnlijk leed/lijdt aan het Syndroom van Asperger. Geadviseerd is hem als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. In de strafzaak is geoordeeld dat de kans dat een vijf maanden oude baby op zijn minst zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht als deze door elkaar wordt geschud, naar algemene ervaringsregels “aanmerkelijk” is te achten en ook geldt als een feit van algemene bekendheid. Er zijn volgens het hof geen indicaties dat de vader dat niet wist. Op basis van de verklaring van de vader vond het hof het echter niet aannemelijk dat de vader de kans op het toebrengen van ernstig letsel aan zijn zoon op de koop toe heeft genomen, zoals vereist voor een veroordeling wegens voorwaardelijk opzet. Pas ná het schudden was het pas tot de vader doorgedrongen dat het niet goed was wat hij deed, en toen is hij direct gestopt. Bovendien is de vader toen meteen naar het ziekenhuis gereden. De vader is wel veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat is geen opzetdelict, maar een schulddelict.

De moeder heeft in deze civiele procedure onder meer gevorderd, als wettelijk vertegenwoordiger van haar zoontje, dat Reaal de schade moest vergoeden als aansprakelijkheidsverzekeraar van de vader. De grondslag was artikel 7:954 BW: het slachtoffer heeft een directe vordering op een aansprakelijkheidsverzekeraar als sprake is van dood of lichamelijk letsel.

Reaal beriep zich op de opzetclausule. Bij de rechtbank krijgt zij ongelijk. Het hof volgde hetzelfde spoor als het hof in de strafzaak en oordeelt dat de feiten onvoldoende grond opleveren voor het aanwezig achten van opzet in de zin van de opzetclausule. Het hof verwierp de stelling van Reaal dat alleen het schudden zélf opzettelijk hoeft te zijn geweest, en niet het letsel. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij de wettelijke opzetclausule, bij de openbare toelichting op de (gelijkluidende) opzetclausule in het Standaardpolismodel AVP 2000 van het Verbond van Verzekeraars en bij de Productwijzer die Reaal zelf hanteert.

Waar het in cassatie over gaat

In cassatie bepleit Reaal dat het hof bij de uitleg van deze zuiver contractuele opzetclausule geen aansluiting had mogen zoeken bij de wetsgeschiedenis van artikel 7:952 BW, de wettelijke regeling voor uitsluiting van verzekeringsdekking in geval van eigen schuld, nu deze van regelend recht is. De Hoge Raad onderkent dat het inderdaad gaat om uitleg van contractuele bepalingen. Hij voegt daaraan toe, conform vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008, 284) dat het bij een standaardclausule als deze, waarover niet wordt onderhandeld, moet gaan om een uitleg die “met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en in het licht van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.” Volgens de Hoge Raad heeft het hof daaraan echter voldoende aandacht besteed. Ook is het niet zo dat bij de uitleg geen aandacht mag worden besteed aan de wettelijke regeling en de toelichting daarop (de “Toelichting”, zoals in het arrest gedefinieerd door de Hoge Raad).

Reaal richtte ook motiveringsklachten tegen de uitleg die het hof aan de opzetclausule gaf. Dat vormt de kern van het debat in cassatie.

Volgens Reaal volgt uit de toelichting op de opzetclausule dat niet vereist is voor het inroepen ervan, dat het opzet ook op (hier) het toebrengen van letsel en/of op de ‘wederrechtelijkheid’ van het handelen zélf was gericht. Daarom vond Reaal dat ook handelen dat in strafrechtelijke zin als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ wordt gekwalificeerd, onder opzettelijk handelen zoals bedoeld in de opzetclausule kan vallen.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad is er goed voor gaan zitten en schrijft een uitspraak die hij, getuige de publicatie op de nieuwspagina van zijn eigen website, duidelijk en terecht zelf ook van groot belang vindt voor de rechtsontwikkeling.

De kern van dit uitvoerig gemotiveerde arrest kan als volgt worden weergegeven (rov. 3.5.1. e.v.).

Allereerst: wat zegt de Toelichting op de opzetclausule in de Standaardmodelpolis AVP 2000?

  • Deze opzetclausule is gelijk aan de opzetclausule in het Standaardpolismodel AVP 2000 van het Verbond van verzekeraars.
  • Deze clausule komt in een groot aantal AVP-polissen voor en is van groot belang bij de afwikkeling van schadevoorvallen.
  • De feitenrechtspraak is verdeeld, dus ziet de Hoge Raad aanleiding om, “met het oog op de rechtseenheid”, algemene overwegingen te geven.:
  • Bij de uitleg van de opzetclausule moet de openbare toelichting op de (gelijkluidende) opzetclausule in het Standaardpolismodel AVP 2000 van het Verbond van Verzekeraars en de Productwijzer die Reaal zelf hanteert worden betrokken .
  • In die toelichting staat onder meer, onder verwijzing naar het bekende Aegon/Van der Linden-arrest (ECLI:NL:HR:1998:ZC2771) dat die uitspraak volgens het Verbond tot gevolg had dat “allerhande maatschappelijk ongewenst gedrag gedekt is, en alleen uitgesloten blijft de schade waarvan de dader zich bewust was dat deze het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn. Het Verbond heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad besloten de aanbeveling voor de standaard-opzetclausule aan te passen om schade door crimineel gedrag expliciet buiten te dekking te houden.”.
  • Ook staat erin dat het woord ‘wederrechtelijk’ alleen is opgenomen om duidelijk te maken dat ook als een verzekerde niet strafrechtelijk wordt vervolgd, of wordt vrijgesproken, een beroep op de opzetclausule mogelijk is. Daarvan is sprake bij een handelen van verzekerde in strijd met zijn rechtsplicht of in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.
  • Tekst en toelichting bevatten geen aanwijzing dat het opzet van de verzekerde ook op het wederrechtelijke karakter van zijn gedraging gericht moet zijn. De clausule bepaalt dat het handelen of nalaten opzettelijk en wederrechtelijk is, niet dat het opzettelijk wederrechtelijk moet zijn.
  • Reaal heeft gelijk waar zij stelt dat blijkens de Toelichting het ‘nieuwe’ aan deze clausule is de koppeling van het opzet aan de gedraging zelf, en niet aan de schade (als het gevolg van die gedraging). Het opzettelijk karakter moet uit de gedraging zélf worden afgeleid.
  • De Toelichting geeft echter ook een voorbeeld van een fietser die door rood rijdt. Deze voorbeeldfietser rijdt opzettelijk door rood, en verwondt vervolgens een voetganger. Volgens de Toelichting mag de opzetclausule niet aan deze fietser worden tegengeworpen, omdat zijn opzet niet op verwonden van de voetganger was gericht.
  • Vervolgens gaat de Hoge Raad aan de slag met dit voorbeeld, door het in feite uit te leggen. Volgens hem laat het voorbeeld zien dat hier zowel een objectieve als een subjectieve uitleg aan te geven valt. Gekeken moet ook worden naar de bedoeling waarmee de fietser opzettelijk door rood rijdt. Wilde hij daarmee de voetganger verwonden? Zo niet, dan heeft hij wel opzettelijk door rood gereden, maar niet met een opzet ‘tegen een persoon of zaak gericht’. Onduidelijk is volgende de Hoge Raad of de Toelichting ‘het verwonden van de voetganger’ ziet als een afzonderlijke gedraging, die niet opzettelijk is verricht en daarom niet onder de opzetclausule valt.
  • De Hoge Raad wil hiermee zeggen dat niet steeds een scherp onderscheid te maken valt tussen ‘opzet gericht op de gedraging’ en ‘opzet gericht op het gevolg’. De woorden in de opzetclausule “tegen een persoon of zaak” kunnen ook zo worden gelezen dat vereist is dat de handelende persoon het opzet moet hebben gehad op het toebrengen van (enige vorm van) schade aan een persoon of zaak. Met het oog op een “zoveel mogelijk eenduidige uitleg en toepassing van de opzetclausule” is het volgens de Hoge Raad wenselijk en het meest in overeenstemming met de bedoeling van de verzekeraars zoals blijkt uit de Toelichting, om een objectieve invulling tot uitgangspunt te nemen.

Wat wordt de nieuwe uitleg? Een genuanceerde waaier van hoofdregels, uitzonderingen en gezichtspunten

Iedere parafrase of samenvatting zou afbreuk doen aan het nu door de Hoge Raad gepresenteerde stelsel, zodat hieronder (in aanvulling op hetgeen in de inleiding van deze blog staat vermeld) een integrale weergave volgt van de belangrijkste inleidende rechtsoverwegingen van de Hoge Raad (onderstrepingen toegevoegd):

“3.5.5 Zoals hiervoor al vermeld, moet volgens de Toelichting (onder het kopje “Koppeling opzet aan gedraging”) het opzettelijk karakter van de gedraging uit de gedraging zelf afgeleid worden. Voor de uitleg van het bijkomend vereiste dat de gedraging ‘tegen een persoon of zaak is gericht’, heeft dit tot gevolg dat die ‘gerichtheid’ geen betrekking heeft op het oogmerk waarmee de gedraging door de verzekerde wordt verricht (want dan zou in wezen toch weer onderzocht moeten worden of diens opzet gericht was op het gevolg). De ‘gerichtheid’ van de gedraging ziet dan ook op de objectieve strekking van de gedraging, zoals deze door een neutrale toeschouwer wordt waargenomen en geduid in de context van de kenbare omstandigheden. Het vereiste dat sprake is van (subjectieve) opzet heeft dus naar de bewoordingen en kenbare strekking van de clausule alleen betrekking op de gedraging zelf.

Nu de AVP slechts schade aan een persoon (letsel) of zaak (zaakschade) dekt, en ook de daarvan onderdeel uitmakende opzetclausule dus tot dergelijke schade is beperkt, brengt het voorgaande voor de uitleg van de clausule mee dat sprake moet zijn van een (opzettelijk verrichte en wederrechtelijke) gedraging die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade.

3.5.6 Ingevolge hetgeen hiervoor in 3.5.5 is overwogen, moet de vraag of een opzettelijke gedraging van een verzekerde gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, naar objectieve maatstaven worden beoordeeld aan de hand van de aard van de gedraging in het licht van de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Deze beoordeling naar objectieve maatstaven brengt mee dat ook letsel of zaakschade van een soort of ernst waarop het opzet van de verzekerde niet (subjectief) gericht was, onder de uitsluiting van de opzetclausule kan vallen. Dat is het geval indien, gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze werd verricht, het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt. In zodanig geval moet aangenomen worden dat de gedraging van de verzekerde gericht was op het doen ontstaan van het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade, ook al was deze soort of ernst van letsel of zaakschade niet door hem beoogd. Anderzijds kan van letsel of zaakschade van een soort of ernst die naar objectieve maatstaven niet als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt, niet worden gezegd dat de gedraging van de verzekerde objectief bezien gericht was op het doen ontstaan daarvan.”

De Hoge Raad geeft aan dat deze benadering strookt met de kritiek die het Verbond van Verzekeraars zélf in de Toelichting op de Opzetclausule 2000 heeft geuit op het Aegon/Van der Linden-arrest. Zij hebben onder omstandigheden ook van dekking willen uitsluiten de niet beoogde schade die het gevolg is van onrechtmatige, tegen een persoon of zaak gerichte gedragingen. Dit was echter ook niet onbeperkt: alleen als het letsel echt naar objectieve maatstaven te verwachten viel. De Hoge Raad verwijst daarbij naar het voorbeeld in de Toelichting van een draai om de oren, die in een concreet geval tot doofheid leidt – dáárvoor geldt de opzetclausule volgens de Toelichting niet. Vervolgens benadrukt de Hoge Raad dat de Toelichting aangeeft dat er ruimte moet zijn voor maatwerk. Het Verbond had gestreefd naar een “maatschappelijk aanvaardbaar evenwicht” tussen dader- en slachtofferbescherming, en had ook benadrukt dat de clausule redelijk moet worden toegepast en per geval moet worden bekeken.

Vervolgens geeft de Hoge Raad de volgende ‘uitlegregel’ voor de Opzetclausule AVP 2000, die als volgt valt samen te vatten:

“Uitgangspunt” is dat sprake moet zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij daadwerkelijk toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

Gelet op het feit dat verzekeraars zelf al in 2000 hebben toegelicht dat er bij toepassing van deze clausule ruimte moet zijn van maatwerk, is er soms aanleiding om bij een schadevoorval dat op zichzelf aan voorwaarden voor toepassing van de opzetclausule voldoet, te oordelen dat de clausule vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval desondanks niet van toepassing is. De grond daarvoor kan in zodanig geval – naast de beoordelingsruimte die al in de voorwaarden zelf ligt besloten – ook gevonden worden in het vereiste dat het moet gaan om schade “veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit” de opzettelijke en onrechtmatige gedraging van de verzekerde. Bij de beoordeling of de schade voor de toepassing van de opzetclausule in redelijkheid aan die gedraging kan worden toegerekend, komt gewicht toe aan diverse factoren, waaronder:

  • de aard van de onrechtmatige gedraging van de verzekerde;
  • de omstandigheden waaronder deze is verricht;
  • de mate waarin de verzekerde een verwijt van zijn gedraging gemaakt kan worden of andere subjectieve omstandigheden aan diens zijde; en
  • de aard en de ernst van de schadelijke gevolgen,
  • een en ander bezien in het licht van de strekking en maatschappelijke betekenis van de AVP.

De afdoening in het concrete geval: Reaal kan geen beroep doen aan de opzetclausule

De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af, hetgeen bijzonder is in een zaak waarin motiveringsklachten centraal staan. Waarschijnlijk wilde de Hoge Raad niet alleen een einde maken aan dit jarenlange gevecht in een schrijnende zaak, maar wil hij ook duidelijk maken waartoe de toepassing van de toch zeer abstracte uitlegregels kan en zou moeten leiden:

  • Hier was sprake van een opzettelijke gedraging van de vader (het door elkaar schudden), gericht tegen een persoon (zijn zoontje). Dat kan naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg hersenletsel teweeg brengen, zodat het objectief bezien gericht was op het toebrengen van zodanig letsel. Dat zou betekenen dat Reaal volgens de ‘hoofdregel’ een beroep zou kunnen doen op de opzetclausule.
  • Toch zoekt en vindt de Hoge Raad een escape, om de schade van de baby door Reaal vergoed te krijgen. In cassatie staat vast dat de vader alleen de bedoeling had het huilen van de baby te stoppen. Hij besefte zich het onoorbare karakter van zijn gedraging niet, maar hield daarmee op zodra dat wel tot hem doordrong. Dat staat niet in de weg aan toepassing van de opzetclausule, maar het kan wel bijdragen aan het oordeel dat toepassing van de opzetclausule in dit (bijzondere) geval niet tot een redelijk en maatschappelijk aanvaardbaar resultaat leidt.

Ten slotte

We mogen bij dit alles niet vergeten dat de Hoge Raad hier een vérgaande geobjectiveerde uitleg geeft aan een standaardclausule in AVP-polissen. De Hoge Raad weet uiteraard maar al te goed dat een te ongenuanceerde uitleg in het nadeel van verzekeraars eenvoudigweg tot de ontwikkeling van een nieuwe opzetclausule zou kunnen leiden, zoals ook na Aegon/Van der Linden is gebeurd. De duiding die de Hoge Raad nu geeft komt (wellicht mede daarom) tegemoet aan de belangen van verzekeraars, daders (de verzekerden) en slachtoffers: objectivering staat voorop, met ruimte voor een redelijkheidscorrectie in het concrete geval. Met de gegeven gezichtspuntencatalogus kunnen onderhandelaars en rechters weer vooruit.