Op 31 juli 2014 is de consultatie gestart over het ontwerp-voorstel van wet voor de nieuwe Elektriciteits- en gaswet (Egw). Dit is het laatste en ook het meest omvattende onderdeel van de wetgevingsagenda STROOM. De Egw wordt de opvolger van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Inhoudelijk blijft veel bij het oude. Op het gebied van de inrichting van het netbeheer (straks: systeembeheer), de taken van de netbeheerder (straks: systeembeheerder) én op het gebied van tariefregulering gaat echter al op korte termijn het nodige veranderen. De consultatie duurt tot en met 8 september 2014.

Wetgevingsagenda STROOM

Het doel van de wetgevingsagenda STROOM is het stroomlijnen, optimaliseren en moderniseren van de wetgeving op het gebied van elektriciteit en gas. Eerdere onderdelen van deze agenda waren de Verzamelwet STROOM, de Wet inzake de nettarieven van de energie-intensieve industrie, en de zogeheten Experimenten AMvB, die de mogelijkheid biedt om bij wijze van experiment af te wijken van de bestaande wettelijke kaders. De nieuwe Egw past op verschillende manieren in de agenda. Het stroomlijnen ziet op het feit dat het Nederlandse begrippenkader meer in overeenstemming zal worden gebracht met het Europeesrechtelijke kader. Ook zullen onnodige verschillen tussen de begrippenkaders uit de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gaan verdwijnen. Verder zal het wetsvoorstel worden gestroomlijnd met andere nationale regelgeving zoals de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en de Algemene wet bestuursrecht. Het optimaliseren komt vooral tot uitdrukking in de aangepaste structuur van de wet en hetmoderniseren in het feit dat de Egw een kader moet bieden voor de toekomstige, duurzame energievoorziening.

Indeling Elektriciteits- en gaswet

De Egw zal 12 hoofdstukken kennen: Algemene bepalingen (1), Elektriciteitsproductie- en gaswinning (2), LNG en gasopslag (3), Inrichting Systeembeheer (4), Taken en verplichtingen van beheerders van systemen (5), Tariefregulering (6), Markten en handel (7), Levering en consumenten (8), Codes (9), Uitvoering en toezicht (10), Overige Bepalingen (11) en Slot- en overgangsbepalingen (12). Vergeleken met de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet zal de eerste versie van de Egw vooral verschillen op de onderwerpen inrichting en taken netbeheer en tariefregulering. Enkele andere onderwerpen zoals consumenten en levering en codes, zullen materieel nog identiek zijn aan de huidige wetgeving (ze worden alleen overgeplaatst naar de Egw). Deze onderwerpen worden op een later moment gemoderniseerd.

Nieuwe begripsbepalingen

Naast de inhoudelijke veranderingen krijgt de Egw ook (gedeeltelijk) een nieuw idoom. In de plaats van vertrouwde begrippen als net en netbeheerder komen (distributie- of transmissie)systeem en (distributie- of transmissie-)systeembeheerder. Op die manier moet het begrippenstelsel van de Egw meer in overeenstemming worden gebracht met dat van de Europese (elektriciteits- en gas-) richtlijnen en verordeningen. Ook de veelbesproken omschrijving van het begrip aansluiting wordt op de schop genomen. Zo verdwijnt het vereiste dat alleen sprake kan zijn van een aansluiting indien er een verbinding is met een onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 16, onderdelen a-e van de Wet Waardering onroerende zaken. Ook wordt het begrip installatie geïntroduceerd. In het huidige stelsel is een installatie een niet gedefinieerde restcategorie: het zijn alle verbindingen voor het transport van elektriciteit of gas die niet behoren tot een net of een directe lijn. Straks krijgt het begrip een eigen bepaling: “elektrisch of gastechnisch materieel dat, leidingen die en apparatuur dat: a. onderling duurzaam is verbonden, b. is bestemd voor of ten dienste staat aan het gebruik of de productie van elektriciteit of gas, c. wordt gebruikt of beheerd door een eindafnemer of een producent en d. zich ten opzichte van een systeem of een directe lijn bevindt achter de voorzieningen die het systeem of de directe lijn beveiligen”. Dit wordt ongetwijfeld even wennen voor de vaste raadplegers van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.

Systeembeheer

Netbeheer heet straks systeembeheer. Inhoudelijk gaan verschillende zaken veranderen. Zo wordt verduidelijkt welke nevenactiviteiten een systeembeheerder mag uitvoeren naast zijn wettelijke taken. Ook wordt verhelderd welke activiteiten mogen worden ondernomen binnen het concern waarvan de netbeheerder deel uitmaakt. Dit concern wordt in de Egw het infrastructuurbedrijf genoemd. Infrastructuurbedrijven dienen zich te beperken tot taken die verwant zijn aan aanleg en onderhoud van energie-infrastructuur. De infrastructuurbedrijven mogen verder actief zijn op het gebied van meetinrichtingen, meetdiensten en drinkwater. Het infrastructuurbedrijf van de transmissiesysteembeheerder voor gas, Gasunie, behoudt de mogelijkheid om naast aanleg en onderhoud ook het beheer van LNG- en opslaginstallaties en gasinfrastructuur op zich te nemen. Dit heeft te maken met de bijzondere rol van Gasunie bij de Nederlandse strategie voor de gasrotonde. Het infrastructuurbedrijf van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, TenneT, mag activiteiten ontplooien op het gebied van antenne-opstelpunten. Deze activiteiten worden uitgevoerd door Novec B.V.

De Egw voorziet met het oog op de energietransitie ook in een grondslag om nieuwe taken voor de duur van maximaal vijf jaar op te dragen aan systeembeheerders. Het betreft dan taken waarvan bij voorbaat niet duidelijk is of deze door de markt zullen worden opgepakt of dat deze als exclusieve wettelijke taak bij de systeembeheerder moet worden ondergebracht. Een taak waaraan in dit verband kan worden gedacht is de opslag van energie. In het kader van de energie-transitie zullen systeembeheerders bepaalde informatie waarover zij beschikken actief (geanonimiseerd) openbaar moeten maken, zodat marktpartijen in gelijke mate van deze informatie gebruik zullen kunnen maken. Het betreft informatie over decentrale invoeding in het Productie Installatie Register, de beschikbaarheid van verbruiksdata op postcodeniveau en informatie over de uitrol van de slimme meter.

De regels over netplanning en –uitbreiding worden aangepast. De huidige systematiek van kwaliteits- en capaciteitsdocumenten en de regeling voor uitbreidingsinvesteringen wordt veranderd. Voortaan wordt een centrale rol gegeven aan een Netontwikkelingsplan (NOP). Dit plan moet qua inhoud en proces aansluiten bij de Europese regelgeving, waarin is bepaald dat transmissiesysteembeheerders de verplichting hebben om elke twee jaar een gezamenlijk plan op te stellen voor een periode van tien jaar. Het NOP omvat alle uitbreidingsinvesteringen. In een ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld waaraan het NOP moet voldoen. Naast het NOP dient de systeembeheerder een kwaliteitsdocument op te stellen waarin de geplande vervangingsinvesteringen worden beschreven. De Egw zal aparte regels bevatten voor de investeringen in het transmissiesysteem op zee: het hoogspanningsnet ten behoeve van de ontwikkeling van windenergie op zee.

Tariefregulering

Hoofdstuk 6 handelt over tariefregulering. De regelgeving die voorziet in de tarieven die afnemers betalen voor het transport van elektriciteit of gas. Hiermee wordt voorzien in de inkomsten van netbeheerders. De systematiek waarmee dit gebeurt wordt belangrijk gewijzigd. Hierdoor zullen nacalculaties en correcties straks eenvoudiger zijn te verwerken in de tarieven (technischer gezegd: het x-factorbesluit zal worden vervangen door een inkomstenbesluit). Ook wordt de duur van de reguleringsperioden – waarin de methodiek geldt waarmee de hoogte van de tarieven wordt bepaald – verlengd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft de afgelopen jaren telkens gewerkt met perioden van drie jaar. Straks zal een reguleringsperiode zes jaar tellen. Dit moet de rechtszekerheid ten goede komen en administratieve lasten verminderen.

Verder wordt de systematiek gewijzigd waarmee het tarief wordt vastgesteld dat netbeheerders mogen rekenen voor de transportdienst. Momenteel kennen we een variabel transporttarief ter dekking van de kosten gerelateerd aan infrastructuur en een vast tarief ter dekking van de overheadkosten. Dit vaste tarief (dat een relatief gering deel uitmaakt van het totale transporttarief) zal verdwijnen. Dit moet de overzichtelijkheid ten goede komen. De onlangs ingevoerde regeling op grond waarvan het systeemdienstentarief zal komen te vervallen, blijft gehandhaafd.

De verdeelsleutels voor het tarief zullen wettelijk worden vastgelegd, zoals de cascadesystematiek (dat wil zeggen dat de kosten van een systeem op een hoger druk- of spanningsniveau naar rato worden toegerekend naar het systeem op een lager spannings- of drukniveau). Ook is straks wettelijk geregeld dat voor de invoeding van (groen) gas geen transporttarief in rekening mag worden gebracht door distributiesysteembeheerders (regionale netbeheerders). Kleine afnemers (bij wie het transporttarief onafhankelijk is van het verbruik) die relatief veel elektriciteit invoeden, kunnen hun systeembeheerder verzoeken om hun transporttarief los te koppelen van de grootte van hun capaciteit en afhankelijk te maken van de capaciteit die zij nodig hebben voor hun verbruik. Zo wordt voorkomen dat deze afnemers indirect een vergoeding betalen voor de invoeding van elektriciteit.

Ten slotte is een belangrijke vernieuwing dat de transmissiesysteembeheerders (TenneT en GTS) bepaalde kosten die zijn gerelateerd aan investeringen straks al zullen mogen verwerken in de tarieven voordat deze investeringen zijn gerealiseerd. Thans is dit niet het geval, waardoor de transmissiesysteembeheerder een groot beroep op externe financiering moet doen. De ACM zal een inschatting moeten maken van de hoogte van deze kosten en deze moeten betrekken bij de bepaling van de toegestane jaarinkomsten van de transmissiesysteembeheerder. De nieuwe systematiek is in het bijzonder van belang vanwege de grote investeringen die TenneT zal moeten doen in verband met het net op zee.

Vervolg (beleidsbrief STROOM)

In de beleidsbrief STROOM van 18 juni 2014 heeft de Minister van Economische Zaken ook laten weten welke volgende aanpassingen van de Egw worden overwogen. Zo zullen leveranciers met minder dan 500 afnemers van enkele verplichtingen worden vrijgesteld (de algemene leveringsplicht, de aanleverplicht van wijzigingen van tarieven en het modelcontract). Hiermee wordt beoogd het vergunningstelsel voor de levering van energie beter toe te snijden op kleinschalige lokale initiatieven. Daarnaast zullen bijvoorbeeld de mogelijkheden om contracten op te zeggen in lijn worden gebracht met het Burgerlijk Wetboek. Ook zullen aanpassingen worden doorgevoerd op het gebied van de codes, de algemeen verbindende voorschriften die (nu nog) worden vastgesteld op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. De codes regelen diverse praktische zaken die betrekking hebben op de verhouding tussen netbeheerders onderling en tussen netbeheerders en afnemers. Het totstandkomingsproces van de codes zal worden verbeterd en de bedoeling is om duidelijker af te bakenen welke onderwerpen in de codes geregeld zullen worden.

Planning

Het streven is om het voorstel van wet voor de Egw uiterlijk begin 2015 bij de Tweede Kamer in te dienen. Hiermee zou het mogelijk zijn om het wetsvoorstel per 1 januari 2016 in werking te laten treden. Dit is met name van belang voor de planning van windenergie op zee uit het Energieakkoord. Verder is deze datum van belang omdat per 1 januari 2017 een nieuwe reguleringsperiode van start zal gaan. Reacties op het ontwerp-voorstel van wet kunnen worden ingediend tot en met 8 september 2014.