Vanaf het moment dat ambtenaren werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, worden ook de civielrechtelijke bepalingen ten aanzien van deze overeenkomst van toepassing. Het gevolg is dat de overheidswerkgever en zijn werknemers te maken krijgen met fenomenen die zich in het ambtenarenrecht niet voordoen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de mogelijkheid van schorsing zonder behoud van loon, de termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt op (ten onrechte niet betaald) loon en de wettelijke verhoging van loonvorderingen.

De schorsing met behoud van loon

Onder omstandigheden kan een ambtenaar worden geschorst. Daarbij kan het besluit worden genomen de bezoldiging geheel of deels niet te betalen. Er is dan sprake van een schorsing zonder behoud van loon.

Voor werknemers zijn de mogelijkheden van schorsing zonder behoud van loon zeer beperkt. Een werknemer behoudt recht op loon, indien niet wordt gewerkt vanwege een oorzaak die in de risicosfeer van de werkgever ligt (Behalve als het gaat om de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst en rechtsgeldig van de hoofdregel is afgeweken (artikel 7:628 lid 5 BW)). In een bekend arbeidsrechtelijk arrest uit 2003 (Van der Gulik/Vissers) is bepaald dat schorsing in de risicosfeer van de werkgever ligt. Dat is ook het geval als de werkgever gegronde redenen had om tot schorsing over te gaan en/of wanneer de werknemer het aan zichzelf heeft te wijten. Ook dan valt de schorsing in de risicosfeer van de werkgever en moet het loon worden doorbetaald.

De Hoge Raad heeft in juli 2018 bevestigd dat deze rechtspraak nog steeds van kracht is. Dat betekent dat overheidswerkgevers er rekening mee moeten houden dat de schorsing zonder behoud van loon in beginsel niet meer mogelijk is vanaf 1 januari 2020.

De loonvordering en de wettelijke verhoging

Onbekend in het ambtenarenrecht is de in het arbeidsovereenkomstenrecht opgenomen prikkel voor werkgevers om op tijd het loon te betalen. Betaalt een werkgever niet op tijd, dan krijgt de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging wegens vertraging. Deze wettelijke verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag 5% per werkdag en 1% voor de werkdagen daarna. Het gevolg is dat na 33 werkdagen al een wettelijke verhoging van 50% geldt. Een loonvordering kan zo snel oplopen. Van de wettelijke bepaling kan niet worden afgeweken. De rechter heeft wel de mogelijkheid om de verhoging te matigen.

De wettelijke verhoging is van toepassing op alle loonvorderingen van de werknemer. Deze vorderingen kunnen bijvoorbeeld zien op een onterechte inschaling of het uitbetalen van een vakantiedag tegen een te lage waarde, maar ook op het loon dat alsnog moet worden betaald als blijkt dat een ontslag ten onrechte is gegeven.

Een loonvordering verjaart na vijf jaar. Dat betekent dat een werknemer ruim de tijd heeft om met zijn vordering te komen en niet zoals nu in het ambtenarenrecht binnen zes weken tegen een besluit bezwaar moet maken. Rechtsverwerking wordt niet snel aangenomen. Ook een werknemer die het bijvoorbeeld ruim anderhalf jaar laat rusten, kan alsnog een vordering instellen. Als die vordering slaagt, dan kan de rechter een wettelijke verhoging van (maximaal) 50% toekennen.

De overheidswerkgever krijgt daarmee vanaf 1 januari 2020 te maken met werknemers die later dan nu het geval is in het geweer kunnen komen tegen bepaalde loongerelateerde beslissingen. Bovendien kunnen loonvorderingen in potentie met 50% worden verhoogd, indien niet op tijd is betaald.