De voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in een vonnis van 19 juni jl. (ECLI:NL:RBZWB:2014:4205) dat zorgverzekeraar CZ een “publiekrechtelijke instelling” is in de zin van de Aanbestedingswet. CZ is daarmee aanbestedingsplichtig onder de Aanbestedingswet. Een opmerkelijk oordeel, aangezien veelal werd aangenomen dat zorgverzekeraars – als private partijen – de regels uit de Aanbestedingswet niet hoeven na te leven. In de praktijk volgen zorgverzekeraars vaak eigen inkoopprocedures, die doorgaans veel minder formalistisch zijn dat de in de Aanbestedingswet geregelde aanbestedingsprocedures. Met dit vonnis lijkt die praktijk te worden doorbroken.

Kern van de zaak

Het geschil bij de rechtbank ontstond na klachten van een leverancier over een door CZ georganiseerde inkoopprocedure. De leverancier beklaagde zich er onder meer over dat CZ weigerde een omvangrijke opdracht te splitsen, waardoor de leverancier niet kon meedingen. De leverancier deed daarbij een beroep op artikel 1.5 Aanbestedingswet 2012. De leverancier meende dat CZ, als aanbestedingsplichtige publiekrechtelijke instelling, de Aanbestedingswet moet naleven.

De voorzieningenrechter toetst uitvoerig of CZ voldoet aan de voorwaarden van het begrip publiekrechtelijke instelling. Kernvraag is ten eerste of CZ voorziet in behoeften van algemeen belang, die niet van industriële of commerciële aard zijn. Volgens de voorzieningenrechter is dat het geval, bijvoorbeeld omdat zorgverzekeraars niet opereren onder normale marktomstandigheden. Dat blijkt – onder meer – uit de diverse waarborgen en sancties uit de Zorgverzekeringswet, zoals: de verplichting voor alle Nederlanders om zich te verzekeren; de verplichting van zorgverzekeraars om verzekerden te accepteren; de regulering van de prestaties die zorgverzekeraars moeten leveren; en de bestuursrechtelijke garantie van de inning van premies. Een tweede kernvraag is of de activiteiten van CZ voor het merendeel door de overheid worden gefinancierd, zonder dat daar een (contractuele) prestatie tegenover staat. Ook daaraan is volgens de voorzieningenrechter voldaan. Zorgverzekeraars ontvangen van de Rijksoverheid een vereveningsbijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de activiteiten van CZ voor meer dan 50 % uit deze vereveningsbijdrage worden gefinancierd.

Consequenties

Tegen het vonnis kan nog hoger beroep ingesteld worden. Ook kan in een eventuele bodemprocedure nog anders worden beslist. Het is dus nog onzeker of het oordeel van de voorzieningenrechter stand blijft houden. Het vonnis geeft echter niet direct blijk van onjuistheden of onbegrijpelijkheden bij de toepassing van het aanbestedingsrechtelijk kader. Zorgverzekeraars zullen er dus rekening mee moeten houden dat zij moeten aanbesteden volgens de regels van de Aanbestedingswet.