CIVIEL

Verhouding hoofdzaak en vrijwaringszaak

 
Een vrijwaringszaak kan niet worden afgedaan als de uitkomst daarvan afhangt of redelijkerwijs kan afhangen van de beslissing of het debat in de hoofdzaak (vgl. HR 19 februari 2016, RvdW 2016/311, rov. 3.5.2). In het onderhavige geval was zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaak het debat over de (omvang van de) schadevergoeding nog niet ten volle gevoerd. Het hof heeft de hoofdzaak naar de schadestaat verwezen, maar heeft de vordering in de vrijwaringszaak direct toegewezen. De HR vernietigt dit oordeel omdat de gedaagde in de vrijwaringszaak daardoor de mogelijkheid werd ontnomen om ten aanzien van de (omvang van de) schade die zij aan eiseres in de vrijwaringszaak moet vergoeden verweren te voeren die specifiek haar verhouding tot laatstgenoemde betreffen.
 
Direct naar de uitspraak

CIVIEL

Eisvermeerdering in verwijzingsprocedure na cassatie

 
In een verwijzingsprocedure na cassatie is een wijziging of vermeerdering van eis in beginsel niet toegelaten, omdat de rechter naar wie de zaak is verwezen, deze moet behandelen in de stand waarin de zaak zich bevond toen de door de HR vernietigde uitspraak werd gewezen. Een uitzondering is echter mogelijk in overeenstemming met de uitzonderingen die gelden voor de ‘in beginsel strakke regel’. De verwijzingsprocedure is immers een voortzetting van het geding in hoger beroep vóór cassatie en verwijzing. Voor een uitzondering is alleen plaats als is voldaan aan de voorwaarden die zijn vermeld in de arresten van de HR van 19 juni 2009, NJ 2010/154 en 23 september 2011, NJ 2013/6. Een uitzondering is bijvoorbeeld mogelijk als aanpassing wordt beoogd aan pas na de grieven of het antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eiswijziging of –vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat om die reden een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen. Onverkort blijft gelden dat de eiswijziging of –vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde.
 
Direct naar de uitspraak

CIVIEL

Volledige vergoeding van proceskosten: strikte maatstaf Duka/Achmea geldt niet voor vordering tegen derde

 
De HR bevestigt dat tussen procespartijen alleen ruimte is voor een volledige vergoeding van proceskosten – in afwijking van het uitgangspunt van art. 241 Rv – indien aan de strikte maatstaf uit Duka/Achmea (HR 6 april 2012, NJ 2012/233) is voldaan: daarvoor zijn buitengewone omstandigheden nodig zoals misbruik van procesrecht door bijvoorbeeld het instellen van een vordering die gelet op de ongegrondheid ervan achterwege had behoren te blijven. De omstandigheid dat die vordering aanvankelijk door een rechter is toegewezen (welke uitspraak later door de HR is vernietigd) staat aan het aannemen van misbruik van procesrecht niet in de weg. Indien van een derde, die geen partij was bij de betreffende procedure, volledige vergoeding van gemaakte proceskosten wordt gevorderd, is op die vordering de strikte maatstaf van Duka/Achmea niet van toepassing. Dan hoeft slechts aan de eisen van art. 6:162 BW en de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW te worden voldaan.
 
Direct naar de uitspraak