Op grond van artikel 143 van het Wetboek der Registratierechten zijn er registratierechten verschuldigd op vonnissen en arresten die een veroordeling tot betaling van een bepaald bedrag inhouden. Dit wordt aanzien als een vergoeding aan de Staat voor de kosten die zij heeft gemaakt om de veroordeling uit te spreken. De verschuldigde rechten worden begroot op 3% van het bedrag waartoe werd veroordeeld. De fiscus richt zich in eerste instantie tot de veroordeelde schuldenaar, maar indien blijkt dat deze onvermogend is of nalaat te betalen, kan men zich eveneens richten tot de in het gelijk gestelde partij, met dien verstande dat deze laatste slechts gehouden is tot betaling van de helft van de door de schuldenaar aan hem uitgekeerde bedragen. Het spreekt voor zich dat dergelijke heffingen zeer problematisch zijn binnen het kader van faillissementen waarbij er slechts gering actief aanwezig is, te meer aangezien de Staat beschikt over een voorrecht op grond van artikel 150 W.Reg.

Toch bestaan er een aantal mogelijkheden om deze registratierechten te ontwijken. Zo bepaalt artikel 143 lid 3 W.Reg. dat er enkel registratierechten verschuldigd zijn indien het vonnis of het arrest een veroordeling bevat tot een bedrag boven 12.500 EUR. Wanneer een schuldeiser kennis heeft dat er onvoldoende activa aanwezig zullen zijn in het faillissement om de volledige vordering te voldoen, kan het wenselijk zijn om de rechtbank te verzoeken tot een veroordeling tot betaling van een provisioneel bedrag dat lager ligt dan 12.500 EUR, zodat er geen registratierechten verschuldigd zullen zijn. Hierbij dient geen rekening te worden gehouden met de grootte van de rechtsplegingsvergoeding en de kosten van het geding, aangezien deze niet mee in rekenschap worden gebracht om te bepalen of de grens van 12.500 EUR werd overschreden.

Een andere optie is om tussen partijen een akkoord te bereiken met betrekking tot een voor de rechtbank aanhangige vordering. Dit kan nuttig zijn wanneer het duidelijk is dat de gefailleerde schuldenaar zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding, maar er enkel nog discussie bestaat over de grootte van de vergoeding. De eiseres zou in dat geval kunnen voorstellen om akkoord te gaan met een lager bedrag wanneer zij weet dat er onvoldoende activa aanwezig zullen zijn om haar vordering integraal uit te betalen. Bijgevolg zal de rechtbank enkel akte nemen van het akkoord dat de ene partij gehouden is tot betaling aan de andere van een bepaald bedrag. Aangezien de rechtbank hierbij geen veroordeling tot betaling uitspreekt is hier niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 143 W.Reg. en kunnen er geen registratierechten worden geheven.

Kortom, het verkrijgen van een veroordeling tot betaling van een hoog bedrag is niet altijd voordelig wanneer de schuldenaar deze vordering niet zal kunnen voldoen. Het is derhalve als schuldeiser van cruciaal belang om een goed beeld te hebben van de financiële situatie van de tegenpartij. Binnen het kader van een faillissement valt het ontwikkelen van een goede band met de curator niet te onderschatten. Niet alleen kan de schuldeiser hierdoor belangrijke informatie over de aanwezige gelden en activa bekomen, het versoepelt ook eventuele onderhandelingen over de aanvaarding van vorderingen in het passief die nog het voorwerp uitmaken van een procedure hangende voor de rechtbank.