In mei 2014 werd door het Europees Parlement Richtlijn 2014/66/EU aangenomen. Deze zogenaamde intra-corporate transfers richtlijn (hierna de ‘Richtlijn’) vergemakkelijkt de overplaatsing van werknemers en hun gezinsleden van buiten de Europese Unie naar één van de Europese lidstaten. Tot nu toe bestond geen eenheid met betrekking tot het migratiebeleid binnen de Unie, en liepen multinationals vaak tegen barrières aan indien zij een werknemer wilden overplaatsen. De Richtlijn beoogt deze barrières weg te nemen. Bovendien leidt meer arbeidsmigratie tot een sterker concurrentievermogen en meer economische vitaliteit binnen de EU. Op 26 november 2016 is de Richtlijn geïmplementeerd binnen Nederland.

Voor wie is de Richtlijn?

De Richtlijn heeft betrekking op werknemers van buiten de Europese Unie die in het kader van hun werkzaamheden bij een onderneming worden overgeplaatst naar een ander gastland. Het gaat hierbij dus specifiek om zogenaamde ‘derdelanders’, niet-EU inwoners. De Richtlijn ziet daarbij op drie groepen werknemers: leidinggevenden, specialisten en stagiair-werknemers. Hierbij moeten de leidinggevenden en specialisten een sleutelpositie binnen de onderneming vervullen. De leidinggevende geeft leiding binnen de entiteit en wordt hierbij in hoofdzaak aangestuurd door de Raad van Bestuur, aandeelhouders of gelijkgestelden. De specialist beschikt over specialistische kennis die van wezenlijk belang is voor de activiteiten, technieken of beheer van de gastentiteit. De stagiair-werknemer (of trainee employee) is in het bezit van een universitair diploma en wordt voor zijn opleiding geplaatst bij een gastentiteit. De stagiaire-werknemer wordt hier ook voor bezoldigd, anders dan bij stagiaires doorgaans het geval is.

De rechten van de werknemer

Uiteraard krijgen deze derdelanders een verblijfsvergunning in het land van hun gastentiteit. Voor leidinggevenden en specialisten geldt deze vergunning voor maximaal drie jaar, voor de stagiair-werknemer is dit maximaal één jaar. Na afloop van de termijn is het niet mogelijk om nogmaals op deze grond een verblijfsvergunning aan te vragen en is het de bedoeling dat de desbetreffende werknemers, met hun gezin, weer terugkeren naar het land van herkomst. Mochten zij langer willen blijven in hun gastland, dan zullen zij op een andere grond een verblijfsvergunning moeten aanvragen.

Op grond van de Richtlijn mag de werknemer zijn hele gezin meenemen naar het gastland en hebben deze gezinsleden toegang tot het verrichten van werkzaamheden als werknemer in loondienst en als zelfstandige. Zij krijgen daarbij dezelfde rechten als de inwoners van de lidstaat waarin zij wonen en werken, bijvoorbeeld op het gebied van gelijke beloning, vrijheid van vereniging en erkenning van diploma’s.

Nederland en de Richtlijn

Nederland kent voor Europese begrippen vrij veel intra-corporate transfer-werknemers, gemiddeld zo’n 3.000. Ter vergelijking: Duitsland kent gemiddeld 4.500 ICT’ers, Frankrijk 1.000 en Spanje, Italië en Slovenië hebben er samen zo’n 1.000. Voor de komst van de Richtlijn bestond er in Nederland dus al de nodige wetgeving met betrekking tot arbeidsmigratie, zoals de Wet Arbeid Vreemdelingen. De vraag dringt zich op hoe de Richtlijn en de bestaande wetgeving zich tot elkaar verhouden. Zo is het op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen mogelijk om een tewerkstellingsvergunning aan een werknemer van buiten Europa in sommige gevallen te weigeren, bijvoorbeeld als voor een arbeidsplaats op de Nederlandse markt al voldoende aanbod bestaat. De Nederlandse wet kent daarbij een strengere toets voor het verlenen van een vergunning dan de Richtlijn, nu in de Richtlijn de weigeringsgronden aanzienlijk beperkter zijn. Op grond van de algemeen geldende voorrangsregels gaat het Europese recht in beginsel boven het nationale recht en zal dus in veel gevallen de Richtlijn van toepassing zijn.

Wat nu?

De Richtlijn heeft als doelstelling het immigratiebeleid te vereenvoudigen. Waar de lidstaten tot op heden hun immigratiebeleid wisselend vormgaven, wordt nu een meer eenduidig raamwerk gecreëerd voor arbeidsmigratie van bepaalde groepen werknemers buiten de EU. Hiermee wordt beoogd dat multinationals de mogelijkheid krijgen om werknemers eenvoudiger te verplaatsen binnen verschillende entiteiten, maar ook dat de economische- en concurrentiepositie van de Europese Unie wordt vergroot. Over drie jaar zal de Commissie de Richtlijn evalueren.