De Raad van State heeft op 7 februari 2018 geoordeeld dat Amsterdam in 2013 terecht vier boetes heeft opgelegd aan bedrijven die woningen als vakantieverblijf verhuurde aan toeristen. In totaal bedraagt de boete 168.000 euro.

Op grond van de Huisvestingswet is het verboden om zonder vergunning een woning te verhuren anders dan ten behoeve van bewoning. Er is dan sprake van woningonttrekking; de woning die behoort tot de door de gemeente aangewezen woningvoorraad wordt door vakantieverhuur onttrokken aan de bestemming wonen. Tijdens de tijdelijke verhuur aan toeristen kan de woning immers niet meer als hoofdverblijf worden gebruikt door de eigenaar.

Onttrekking in de zin van de Huisvestingswet kan slechts plaatsvinden, indien het desbetreffende gebouw op enig moment is bestemd voor permanente bewoning. Volgens de beboete bedrijven waren de panden hier echter nooit voor bedoeld. Hoewel de panden allemaal als 'woning' in de gemeentelijke registratie worden vermeld, stellen de bedrijven dat een pand pas slechts als woning kan worden aangemerkt als iemand zich op het adres heeft ingeschreven.

De Afdeling gaat hier echter niet in mee. Om vast te stellen of een gebouw bestemd is voor permanente bewoning kan van belang zijn of op het adres personen in de basisregistratie persoonsgegevens staan ingeschreven, maar dit is niet doorslaggevend. Wel doorslaggevend is het feit dat deze woningen juridisch gezien wel bestemd waren voor bewoning.

Verder voeren de bedrijven nog aan dat er helemaal niet kan worden vastgesteld of er wel sprake van een overtreding is; tijdens de controles zijn er geen toeristen aangetroffen. Volgens de Afdeling was er wel degelijk sprake van illegaal vakantieverhuur. Dit omdat de inrichting van kamers identiek waren en dat er advertenties op sites als Booking.com en Airbnb zijn aangetroffen.

Voor zover nog is aangevoerd dat slechts eenmalig aan toeristen zou zijn verhuurd, overweegt de Afdeling bovendien dat uit de verhuur van de woning aan en het gebruik van de woning door toeristen, ook indien dit eenmalig was, volgt dat deze niet beschikbaar was voor duurzame bewoning en dat deze dus aan de woonruimtevoorraad was onttrokken.

De Raad van State geeft met deze uitspraak dus een strenge invulling aan het begrip ‘onttrekken aan de woonruimtevoorraad’. Eenmalig verhuur is al genoeg voor een overtreding. Deze uitspraak sluit dus aan bij de nieuwe beperking van de maximale verhuurtermijn voor vakantieverhuur in Amsterdam. Vanaf 1 januari 2019 wordt die termijn teruggebracht naar 30 dagen per jaar. Waar eerst gevreesd werd dat zo'n korte termijn niet als onttrekking zou kunnen gelden en dus geen stand zou houden bij de rechter, blijkt uit deze uitspraak van de Afdeling dat slechts eenmalig verhuur aan toeristen al onder woningonttrekking valt.

Volgens ons zou de Afdeling bestuursrechtspraak haar uitspraken over woningonttrekking op dit punt helderder dienen te motiveren nu uit de wetsgeschiedenis juist blijkt dat slechts sprake is van onttrekking indien de bewoner wordt geacht zijn intentie te hebben verloren om gedurende langere tijd zijn hoofdverblijf in de betrokken woonruimte te hebben. Volgens ons is daarvoor de constatering dat de woning één dag is verhuurd aan toeristen onvoldoende. Juist de bijkomende (feitelijke) omstandigheden, zoals de aan- of afwezigheid van persoonlijke bezittingen in de woning, zijn van (doorslaggevend) belang om te kunnen oordelen dat de bewoner zijn intentie is verloren om gedurende langere tijd zijn hoofdverblijf in de betrokken woonruimte te hebben. Dan is volgens ons pas daadwerkelijk sprake van woningonttrekking.