Civiel

Faillissementsperikelen: de werknemer van de vennootschap onder firma

De HR beantwoordt prejudiciële vragen over de arbeidsverhouding van een werknemer van een vof (in faillissement). Een arbeidsovereenkomst 'met een vof' dient te worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst met de gezamenlijke vennoten. Een werknemer 'van de vof' kan zijn uit de arbeidsovereenkomst voortspruitende vorderingen geldend maken zowel jegens de gezamenlijke vennoten ('jegens de vof'), met de mogelijkheid van verhaal op het afgescheiden vermogen van de vof, als voor het geheel jegens elke afzonderlijke vennoot, met de mogelijkheid van verhaal op het privévermogen van die vennoot. De vorderingen van werknemers, en na subrogatie die van UWV, zijn ook bij het uitoefenen van verhaal op het privévermogen van de vennoten bevoorrechte vorderingen in de zin van art. 3:288, aanhef en onder e, BW in verbinding met art. 61-68 WW. Daarnaast beslist de HR dat art. 40 lid 2 Fw met zich brengt dat een vordering als bedoeld in die bepaling, die in het faillissement van de vof een boedelschuld oplevert, tevens het karakter van boedelschuld toekomt in het faillissement respectievelijk de schuldsaneringsregeling van een vennoot, maar slechts voor zover die vordering betrekking heeft op de periode na het ingaan van laatstbedoeld faillissement of schuldsaneringsregeling. De HR beslist ten slotte dat het niet van belang is of UWV zijn vordering in het faillissement van de vof heeft aangemeld, en daarop al dan niet een (gedeeltelijke) uitkering heeft of zal ontvangen.

ECL:NL:HR:2019:649

Civiel

Dwangsom mogelijk bij bevel tot onthouding van opschorting, inhouding of verrekening

De HR oordeelt dat een aan een partij opgelegd bevel om zich te onthouden van opschorting, inhouding of verrekening, kan worden versterkt met een dwangsom. Een dergelijk bevel kan niet zonder medewerking van die partij worden afgedwongen. Het bevel is geen veroordeling tot betaling, en is daarmee ook niet gelijk te stellen. Evenmin is het bevel een indirecte veroordeling tot betaling. De situatie als bedoeld in de tweede zin van art. 611a lid 1 Rv, waarin is bepaald dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling tot betaling van een geldsom, doet zich in dit geval niet voor.

ECL:NL:HR:2019:579

Civiel

Onderhandse akte

Een partij beroept zich op de bewijskracht als onderhandse akte van een document dat uit twee bladzijden bestaat. Alleen de tweede bladzijde is ondertekend. Het hof oordeelt dat de eerste bladzijde niet geldt als akte, omdat de wederpartij gemotiveerd heeft gesteld dat hij deze eerste bladzijde niet kent. De HR vernietigt en oordeelt dat art. 156 lid 1 Rv ook ziet op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. De HR voegt hieraan toe dat de rechter op grond van de omstandigheden van het geval, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst.

ECLI:NL:HR:2019:641