In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2013  komen twee aspecten van de invorderingsbeschikking aan de orde, te weten: de beginselplicht tot invordering en het onderzoek dat ten grondslag moet liggen aan de invordering.

Wat betreft de beginselplicht tot invordering is de standaardoverweging van de Afdeling sinds mei 2012 dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom, aldus de Afdeling. Vooralsnog zijn er geen uitspraken bekend waarin de door de overtreder aangevoerde omstandigheden volgens de Afdeling kwalificeren als ‘bijzondere omstandigheden’ op grond waarvan mag worden afgezien van invordering. Veelal heeft de overtreder volgens de Afdeling feiten genoemd die niet als zodanig kwalificeren.

Wat betreft het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de invordering, is de conclusie in deze zaak dat de overtreder volgens de Afdeling onvoldoende heeft gemotiveerd/onderbouwd waarom het rapport of bepaalde aannames onjuist zijn. Aldus blijkt dat er niet alleen aan de invorderingsbeschikking een deugdelijk onderzoek ten grondslag moet liggen, maar ook dat de deugdelijkheid van een dergelijk onderzoek niet al te gemakkelijk lijkt te kunnen worden betwist.

De uitspraak met annotatie is hier te downloaden