De wereld is in beweging. De Brexit, handels(oorlogen) en de digitale revolutie. Verder zijn er nog tal van andere ontwikkelingen. Mogelijk neemt hierdoor het aantal faillissementen weer significant toe. Voor een uitvoerige filosofische beschouwing leent zich deze blog echter niet.

Bij faillissementen van rechtspersonen zijn vaak werknemers betrokken.

In een aantal recente faillissementen waar ik als curator ben aangesteld door de rechtbank Amsterdam moest ik vaststellen, dat het personeel geruime tijd niet betaald is en tot mijn verbazing desondanks nog goed gemotiveerd was, hetgeen uieindelijk geleid heeft tot een overname met behoud van een groot deel van het personeel.

Doorgaans gaat de curator na verkregen machtiging van de rechter-commissaris (vaak belt de curator met de gerechtssecretaris om machtiging voor ontslag en bevestigt de gegeven machtiging schriftelijk aan de rechter-commissaris) direct over tot ontslag van het personeel. Dat heb ik hier ook gedaan. Dit ter voorkoming van het onnodig oplopen van boedelschulden. Verder biedt het ontslag door de curator de werknemers de mogelijkheid een beroep te doen op de zogeheten Loongarantieregeling. Op grond van artikel 61 en 64 van de Werkeloosheidswet wordt de loonbetalingsverplichting van werkgevers die in faillissement verkeren overgenomen door de overheid. De uitvoering gebeurt door het UWV.

De navolgende betalingsverplichtingen worden overgenomen:

– het achterstallig loon over de hoogste 13 weken onmiddellijk voorafgaand aan de dag van opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator; – het loon over de opzegtermijn (voor maximaal zes weken); – het vakantiegeld en de vakantiebijslag of een periode van maximaal een jaar voorafgaand aan het eind van de opzegtermijn; – de bedragen die de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst aan derden (zoals de pensioenverzekeraar) verschuldigd is over een periode van maximaal een jaar voorafgaand aan het einde van de opzegtermijn.

Vanaf 1 juli 2016 wordt het loon dat volgens artikel 64 WW gedurende de opzegtermijn van zes weken wordt doorbetaald, gemaximeerd tot anderhalf keer het maximum dagloon. De normale werkloosheidsuitkering met alle beperkingen van dien vangt pas aan na het verstrijken van de opzegtermijn.

De werknemer kan onder de loongarantieregeling onder meer vorderen: – onkosten die direct verband houden met zijn werkzaamheden en passen bij zijn rechtspositie; – tantième; – provisie; – gratificatie; – reiskostenvergoeding; – telefoonkostenvergoeding; – representatievergoeding; – loonwaarde ADV-dagen, waarvan het onmogelijk was deze voor het einde van het dienstverband op te nemen.

Wanneer de werkgever het loon niet op tijd voldoet, maakt de werknemer normaliter aanspraak op de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW is een boete die kan oplopen tot 50% en dient als financiële prikkel om het salaris op tijd over te maken. De hoogte van de boete is afhankelijk van het aantal dagen dat het loon te laat betaald wordt. Onder de loongarantieregeling heeft een werknemer geen vordering op grond van de wettelijke verhoging. In de hiervoor door de rechtbank Amsterdam uitgesproken faillissementen moet het UWV nog een standpunt bepalen. Daarbij komt, dat er loonvorderingen zijn die een tijdsbestek beslaan van meerdere jaren (niet al het loon is over de respectieve jaren volledig betaald) en naar de letter van de wet voor een groot deel niet zullen vallen onder de loongarantieregeling. Dat het personeel al zo lang geen (volledig) loon had ontvangen, is toch wel zeer uitzonderlijk en ben ik nog niet eerder zo in deze mate tegen gekomen. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met Mink Severiens, partner van Dijks Leijssen Advocaten & Rechtsanwälte (email: severiens@dlar).