Ten gevolge van een prejudiciële vraag gesteld door de arbeidsrechtbank van Antwerpen heeft het Europees Hof van Justitie bij arrest van 16 april 2013 geoordeeld dat het Vlaams Taaldecreet van 19 juli 1973 strijdig is met het principe van vrij verkeer van de werknemers wanneer de arbeidsrelatie een grensoverschrijdend karakter heeft.

Ter herinnering, Vlaams Taaldecreet van 19 juli 1973 voorziet dat natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied hebben, verplicht zijn het Nederlands te gebruiken in de relaties tussen werkgevers en werknemers. De sanctie die opgelegd wordt bij dit decreet is de nietigheid van de bescheiden (of de daaruit vloeiende handelingen) zonder dat deze echter schade mogen berokkenen aan de werknemer.

Het geval dat aan de arbeidsrechtbank (en het Europees Hof van Justitie) werd voorgelegd, was bijzonder, in die mate dat het om een grensoverschrijdende context ging en meer bepaald om een werknemer die zowel in België als in Nederland prestaties zou leveren en bovendien de werkgever bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst vertegenwoordigd was door een directeur die Singaporaans onderdaan was die het Nederlands niet machtig was.

De arbeidsovereenkomst, die in het Engels was opgemaakt, bevatte een clausule over de duur van de opzeg, die de werknemer – na ontslagen te zijn geweest – onwettig achtte aangezien deze strijdig was met het Vlaams Taaldecreet van 19 juli 1973. De werkgever was de tegenovergestelde mening toegedaan.

Het Hof oordeelde dat, indien het principe van vrij verkeer van werknemers zich niet verzet tegen regels die het algemeen belang nastreven en evenredig zijn met het nagestreefde doel, deze voorwaarden niet vervuld zijn in het Vlaams Taaldecreet van 19 juli 1973 wanneer een werknemer tewerkgesteld wordt in een grensoverschrijdende context.

Volgens het Hof beheersen de partijen bij een arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter niet noodzakelijkerwijs de officiële taal van de betrokken lidstaat (in casu, het Nederlands) en verlangt in een dergelijke situatie de vorming van een vrije en geïnformeerde wilsovereenstemming tussen de partijen dat zij hun overeenkomst kunnen opstellen in een andere taal dan de officiële taal van die lidstaat.

Deze beslissing heeft, ons inziens, als gevolg dat niet alleen het Vlaamse Taaldecreet maar tevens zijn Waalse tegenhanger, strijdig zijn met het principe van vrij verkeer van de werknemers in het kader van een grensoverschrijdende context.

Wat deze wetgevers hiermee zullen aanvatten is onduidelijk. Het Hof suggereert een oplossing, aangezien het stelt dat een regeling van een lidstaat die niet alleen zou voorschrijven dat zijn officiële taal moet worden gebruikt voor arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter maar bovendien voorziet in de mogelijkheid om daarnaast in een door alle betrokken partijen begrepen taal een rechtsgeldige versie van dergelijke overeenkomsten op te stellen, geldig zou zijn.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat wat precies onder “grensoverschrijdende context” dient begrepen te worden hoogst waarschijnlijk nog veel inkt zal doen vloeien aangezien, op basis van het arrest van het Hof, die betrekking kan hebben op de identiteit van de ondertekenaars van de arbeidsovereenkomst …