Het financieel toezicht op corporaties wordt een exclusieve taak van de minister.

Op 26 maart 2013 heeft minister Blok (Wonen en Rijksdienst) aan de Tweede Kamer een brief gezonden met een reactie op het rapport van de Commissie Hoekstra. Deze commissie heeft naar aanleiding van onder andere de perikelen bij Vestia een rapport uitgebracht over de bestaande toezichtstructuur met betrekking tot woningcorporaties.

Een van de belangrijkste punten uit de reactie van de minister is het voornemen om het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting uitsluitend nog te belasten met het saneren van in financiële problemen geraakte corporaties. Dit betekent dat het CFV haar huidige positie als financieel toezichthouder verliest. In het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel tot herziening van de Woningwet, was nog voorzien in de omvorming van het CFV tot de Financiële Autoriteit woningcorporaties met juist een uitbreiding van de taken en bevoegdheden. In de plannen van Blok is voor deze financiële autoriteit geen plaats meer. Het financiële toezicht zal daarmee exclusief bij de minister komen te berusten.

Het huidige financieel toezicht op woningcorporaties: een gedeelde verantwoordelijkheid

In de bestaande structuur is het publiekrechtelijke toezicht op woningcorporaties verdeeld over de minister en het CFV. De minister is exclusief belast met het toezicht op – kort gezegd – de wijze waarop woningcorporaties hun volkshuisvestelijke taak uitoefenen. Het financieel toezicht wordt door de minister en het CFV gezamenlijk uitgeoefend. Daarbij is in de huidige Woningwet een bewuste scheiding aangebracht tussen informatieverzameling en oordeelsvorming enerzijds en interventie anderzijds. Het CFV is belast met de informatieverzameling en de oordeelsvorming, maar beschikt niet over publiekrechtelijke bevoegdheden om bij een corporatie in te grijpen. Deze bevoegdheden (bijvoorbeeld het geven van een aanwijzing of het aanstellen van een externe toezichthouder) berusten exclusief bij de minister.

Gedeeld toezicht functioneert niet (altijd) en pleit voor toezicht in één hand

Dat de verdeling van verantwoordelijkheden met betrekking tot het financieel toezicht over verschillende instanties tot complicaties kan leiden, blijkt onder andere uit het feitelijk met betrekking tot Vestia uitgeoefende toezicht. De commissie Hoekstra concludeert daar onder andere over dat alle toezichthouders in de aanloop naar het optreden van de problemen onvoldoende urgent hebben gehandeld. De (gebrekkige) wisselwerking tussen het ministerie en het CFV is daar mede de oorzaak voor. In zoverre lijkt het een logische stap om het financieel toezicht (informatie en bevoegdheden) ‘in één hand’ te brengen.

Kanttekeningen bij de keuze van Blok

De vraag is echter of de keuze om dat financieel toezicht door de minister te laten uitoefenen in plaats van door een onafhankelijke autoriteit een verstandige is. Daar kan over getwijfeld worden.

Aan de huidige Woningwet ligt een bewuste keuze ten grondslag om de informatieverzameling en oordeelsvorming (primair) bij het CFV te beleggen. Hiervoor is destijds onder andere gekozen om te voorkomen dat ‘opportuniteitsoverwegingen’ een rol zouden gaan spelen bij het nemen van beslissingen om wel of niet in te grijpen. Dat dit geen denkbeeldig risico vormt, mag wel blijken uit de constatering van de commissie Hoekstra dat er met betrekking tot Vestia mogelijk sprake is geweest van een vermenging van de toezichthoudende en de beleidsrol van het ministerie. Dit heeft mogelijk bijgedragen aan het niet voldoende urgent handelen ten aanzien van de problemen bij Vestia. De commissie Hoekstra heeft er in haar advies bovendien op gewezen dat als het financiële toezicht wil kunnen voldoen aan de beginselen van goed toezicht, het onafhankelijk dient te zijn en los dient te worden gemaakt van het dagelijks beleid dat op het departement wordt gemaakt en uitgevoerd.

Het bovenstaande lijkt (juist) te pleiten voor de figuur van de Financiële Autoriteit woningcorporaties die belast is met de informatieverzameling en oordeelsvorming, maar daarnaast de bevoegdheid krijgt om in te grijpen indien dat nodig is. Minister Blok wenst nu deze ‘onafhankelijkheid’ te waarborgen door het financiële toezicht onder te brengen bij een separate dienst, die organisatorisch onder een ander directoraat-generaal zal vallen dan de beleidsfunctie. Of dit een waardig alternatief vormt voor een stevige onafhankelijke externe toezichthouder zal de tijd moeten leren.