Teneinde het verkrijgen van kredieten voor KMO’s te vergemakkelijken en hen te beschermen tegen bepaalde onevenwichtige bankpraktijken, heeft de wetgever op 21 december 2013 de Wet betreffende de Financiering van Kleine en Middelgrote Ondernemingen (de "Wet") goedgekeurd.

Toepassingsgebied

De Wet is van toepassing op het aanbieden en het sluiten van kredietovereenkomsten (onder welke vorm dan ook) door een kredietgever (waaronder maar dus niet uitsluitend banken) aan een “kleine onderneming” in de zin van artikel 15§1 van het Wetboek van Vennootschappen. Een kleine onderneming is een onderneming die het afgelopen en het voorlaatste boekjaar niet meer dan één der volgende criteria heeft overschreden:

  • jaargemiddelde van het totaal aantal personeelsleden: 50;
  • jaaromzet, excl. BTW: 7.300.000 euro;
  • balanstotaal: 3.650.000 euro, 


tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt. 

Dit toepassingsgebied zal zonder enige twijfel onzekerheid creëren wat financieringsvennootschappen betreft (of Special Purpose Vehicles) in het kader van de financiering van overnames- of vastgoedprojecten of titriseringsstructuren. Leningen aan start-ups door business angels of andere private equity vennootschappen lopen het risico om ook te worden beïnvloed. 

Dit toepassingsgebied dient naar ons inzicht benaderd te worden in het kader van de verschillende temperingen die artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen gekend heeft, die meer bepaald toestaan om rekening te houden met de geconsolideerde structuur van de kredietnemer. Dit werd recentelijk door de Minister van Financiën bevestigd, evenals het feit dat de Wet geen toepassing diende te vinden indien slechts een van de kredietnemers aan de notie van een kleine vennootschap voldeed. 

Voldoeningstest en precontractuele informatie

De kredietgever is voortaan verplicht bepaalde pertinente informatie te verzamelen teneinde de haalbaarheid van het project en de mogelijkheid van terugbetaling vanwege de kredietnemer in te kunnen schatten. 

De kredietgever dient eveneens een schriftelijke toelichting voor te bereiden en over te maken op het moment van de aanvraag van het krediet. Bovendien zal hij ook een summier informatiedocument aan het ontwerp van de kredietovereenkomst hechten, waarvan de inhoud aan de gedragscode dient te voldoen die door de UNIZO, UCM en Febelfin werd opgelegd. Deze gedragscode heeft overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 27 februari 2014 een verplicht karakter (de “Gedragscode”).

Ingeval de kredietgever zijn informatieverplichtingen niet naleeft, kent de wet aan de rechter de mogelijkheid toe om de omzetting van het krediet naar een kredietvorm die beter overeenkomt met de noden en mogelijkheden van de kredietnemer te bevelen. 

Indien de toekenning van een krediet wordt geweigerd, heeft de kredietgever de verplichting de desbetreffende onderneming te informeren over de belangrijkste elementen waarop zij haar beslissingen heeft gebaseerd.

Vrijwillig vervroegde terugbetaling

Bankpraktijken met betrekking tot wederbeleggingsvergoedingen ontmoedigen talloze KMO’s om hun financieringsbronnen actief te beheren. In tegenstelling tot de voorwaarden voor een lening, (waarvoor de herinvesteringsvergoeding krachtens artikel 1907bis van het Burgerlijk Wetboek geplafonneerd wordt tot maximaal zes maanden interest), worden kredietovereenkomsten niet door enige wettelijke beperking beschermd. 

De Wet kent aan de kredietnemer voortaan uitdrukkelijk het recht toe om te allen tijde, geheel of gedeeltelijk, het verschuldigd kapitaalsaldo vervroegd terug te betalen, zonder dat dit recht afhankelijk gemaakt kan worden van het vervullen van enige bijkomende voorwaarden.

Een wederbeleggingsvergoeding zal evenwel steeds kunnen worden bedongen, maar deze mag het bedrag van zes maanden interest niet overschrijden indien het oorspronkelijk krediet niet meer dan 1 miljoen euro bedraagt. Voor andere ondernemingskredieten staat het de partijen vrij om binnen de grenzen van de Gedragscode de wederbeleggingsvergoeding contractueel vast te stellen (deze laatste herneemt de modaliteiten die conform zijn met de huidige praktijk).

Ten slotte zal enig boetebeding (“prepayment fee”) omwille van een vervroegde terugbetaling vanaf nu van rechtswege nietig zijn. Een dergelijk boetebeding is bijvoorbeeld gebruikelijk in het kader van financiële vastgoedconstructies waarbinnen de kredietgever geassocieerd wordt met de door de kredietnemer gerealiseerde meerwaarde bij de verkoop van het goed (hetgeen meestal gepaard gaat met een herfinanciering van het krediet).

Onrechtmatige clausules

Voorzichtigheid voor de kredietgevers is eveneens geboden gedurende de voorbereiding van de kredietovereenkomst. De wet bestempelt bepaalde clausules immers als “onrechtmatig”, verboden en nietig. Het betreft ondermeer de volgende clausules: 

  • een onherroepelijke verbintenis vanwege de kredietnemer voorzien, terwijl de uitvoering van de prestaties van de kredietgever onderworpen zijn aan de voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend van zijn wilafhankelijk is;
  • behoudens in het geval van niet-uitvoering vanwege de kredietnemer, de kredietgever toelaten om de voor bepaalde duur afgesloten overeenkomst eenzijdig te beëindigen, zonder een redelijke schadevergoeding voor de kredietnemer, behoudens overmacht;
  • behoudens in het geval van niet-uitvoering vanwege de kredietnemer, de kredietgever toelaten om een overeenkomst voor onbepaalde duur op te zeggen zonder te voorzien in een redelijke opzeggingstermijn voor de kredietnemer, behoudens overmacht.


Inwerkingtreding

Sommige bepalingen van de Wet zijn op 10 januari 2014 van kracht gegaan. De overige bepalingen zijn op 1 maart 2014 in werking getreden. De wet is nu dus volledig van kracht. 

Besluit

De Wet streeft een lovenswaardig doel na, meer bepaald het creëren van een evenwichtig kader waarbinnen KMO’s krediet kunnen verkrijgen. Omdat bepaalde kredietgevers hierbij aan flexibiliteit zullen moeten inboeten, zal de Wet paradoxalerwijs de kosten van het krediet verhogen en sommige economische actoren juist ontmoedigen om hun activiteiten in België aan te vatten of verder te zetten. Dit zou des te meer het geval zijn indien zou blijken dat dit krediet van toepassing zou zijn op de financiering van SPV, aangezien het toepassingsgebied niet altijd even duidelijk is.