Op 25 april 2018 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna Raad van State) een kritisch advies uitgebracht over het initiatief-wetsvoorstel om de wet op het financieel toezicht (Wft) te wijzigen. Op 5 juli 2018 is dit advies tezamen met de reactie van de initiatiefnemers van het wetsvoorstel op het advies van de Raad van State gepubliceerd, evenals het aangepaste wetsvoorstel dat is aangeboden aan de Tweede Kamer.

Initiatiefwetsvoorstel

Het concept initiatief-wetsvoorstel werd op 15 maart 2018 ingediend door zeven politieke partijen. Het concept initiatief-wetsvoorstel bevatte twee voorstellen. Het eerste voorstel zag op de aanscherping van de definitie van "vaste beloning". Die definitie diende volgens de initiatiefnemers dusdanig beperkt te worden dat die niet mede mocht bestaan uit aandelen in de onderneming of vergelijkbare instrumenten. Het tweede voorstel bevatte een de facto vetorecht voor de Minister van Financiën omdat een voorgenomen vaststelling van de vaste beloning van een nieuwe bestuurder of een verhoging van de vaste beloning van een zittende bestuurder eerst ter instemming aan de Minister van Financiën zou moeten worden voorgelegd.

De initiatiefnemers vonden deze maatregelen noodzakelijk om perverse beloningsprikkels bij systeemrelevante banken terug te dringen.

Definitie vaste beloning

De Raad van State is kritisch over de noodzaak om de definitie van vaste beloning aan te passen, omdat het voorstel niets toevoegt aan de al geldende regelingen. Bovendien deelt de Raad van State de stelling van de initiatiefnemers niet dat er perverse prikkels uit zouden gaan van aandelenpakketten in de onderneming die worden verstrekt als beloning aan een bestuurder met daarbij de voorwaarde dat deze gedurende een bepaalde – langere – periode niet mogen worden verkocht. In de visie van de Raad van State zou deze vorm van beloning in tegenstelling tot wat de initiatiefnemers betogen juist een prikkel kunnen geven om het langetermijnperspectief van de bank in het oog te houden.

Instemmingsrecht vaste beloning systeembanken

De Raad van State oordeelt in zijn advies dat het voorgestelde instemmingsvereiste van de Minister van Financiën rechtvaardiging ontbreekt. De Raad van State geeft aan dat een dergelijk instemmingsvereiste diep ingrijpt in de autonomie van de onderneming en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van systeembanken. Om deze inbreuk te kunnen rechtvaardigen zou er sprake moeten zijn van legitieme doelstellingen die het algemeen belang (in dit geval vergroting van de financiële stabiliteit) dienen én er moet een behoorlijk evenwicht zijn tussen de vereisten van het na te streven algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van de eigenaar. De Raad van State oordeelt dat een dergelijke rechtvaardiging en evenwicht ontbreekt. Het advies gaat echter (helaas) niet inhoudelijk in op de verstrekkende gevolgen die het instemmingsvereiste op een beloningsvoorstel voor een bestuurder zou hebben.

De Raad van State constateert bovendien dat het voorgestelde instemmingsvereiste op ontoelaatbare wijze haaks staat op de op het Europees niveau vastgelegde bevoegdheid van de ECB die op Europees niveau is vastgesteld.

Bredere maatschappelijke discussie

De initiatiefnemers beoogden met het initiatief-wetsvoorstel te reageren op de al langer lopende brede maatschappelijke discussie over beloning en inkomen en over het door de bancaire sector te herstellen maatschappelijk vertrouwen. De Raad van State geeft in haar advies duidelijk aan dat de initiatiefnemers met het wetsvoorstel niet het juiste middel hebben gekozen om deze discussie aan de orde te stellen.

Reactie indieners wetsvoorstel

De indieners van het initiatief-wetvoorstel reageren op het advies van de Raad van State met een gewijzigd initiatief-wetsvoorstel en gewijzigde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Hierin zijn echter tegen de advisering van de Raad van State in nauwelijks inhoudelijke wijzigingen in aangebracht.

De enige inhoudelijke aanpassing die in reactie op het advies van de Raad van State is aangebracht is dat in het oorspronkelijke concept voorstel was opgenomen dat de Minister van Financiën instemming weigert als de verhoging de verhoging naar het oordeel van de Minister niet passend is met het oog op een zorgvuldig, beheerst en duurzaam beloningsbeleid dat kan rekenen op maatschappelijk draagvlak terwijl nu is opgenomen dat de Minister instemming weigert als de verhoging naar het oordeel van de Minister niet passend is met het oog op een zorgvuldig, beheerst en duurzaam beloningsbeleid waarbij rekenschap wordt gehouden met het maatschappelijk draagvlak. Deze wijziging is ingegeven door de kritische opmerking van de Raad van State dat in het wetsvoorstel werd afgeweken van de reeds geldende norm zoals die volgt uit de Corporate Governance Code en dat deze tekstuele afwijking zou leiden tot een onvoldoende inhoudelijke bepaalde normstelling.

Het aangepaste initiatief-wetvoorstel ligt thans bij de Tweede Kamer. De verwachting is dat dit na het zomerreces zal worden behandeld.