De nieuwe economie met platforms als Airbnb en Uber biedt legio zegeningen. Tegelijkertijd doet de vraag zich voor hoe de wetgever deze economie kan reguleren om het publieke belang te waarborgen. Deze vraag heeft advocaat-generaal (“AG“) Szpunar op 11 mei 2017 deels beantwoord. Hij adviseert het Hof van Justitie (“HvJ“) om het elektronische platform Uber als een vervoersdienst aan te duiden. Daardoor kan Uber volgens de AG geen beroep op doen op het vrije verkeer van diensten. Het Europees recht verbiedt dan nationale overheden in principe niet om de diensten van Uber te onderwerpen aan een vergunningsplicht of andere voorschriften.

Uber en aanleiding voor advies AG

Uber is een platform waarmee via een smartphone een taxi kan worden besteld. Dit programma koppelt chauffeurs en consumenten aan elkaar. De consumenten kunnen een chauffeur bestellen via het programma dat vervolgens beschikbare chauffeurs vindt. Als een chauffeur een rit accepteert krijgt de consument het profiel van de chauffeur te zien plus een prijsindicatie.

De aanleiding voor het advies van de AG vormt een rechtszaak die een Spaanse beroepsorganisatie voor taxichauffeurs heeft aangespannen tegen de Spaanse vennootschap Uber System Spain. Centraal staat daarin de stelling dat deze vennootschap door het gebruik van UberPop – een versie van Uber die gebruik maakt van niet-professionele chauffeurs – zich schuldig maakt aan oneerlijke concurrentie omdat UberPop en zijn chauffeurs niet over de door de stad Barcelona vereiste vergunningen beschikken.

Rechtsvraag: kan Uber een beroep doen op het vrije verkeer van diensten?

Tijdens de behandeling van deze rechtszaak concludeert de Spaanse rechter dat verschillende interpretatievragen over het Europees recht eerst beantwoord dienen te worden om het geschil tussen de beroepsorganisatie voor taxichauffeurs en Uber System Spain te kunnen beslechten. De Spaanse rechter stelt daarom aan het HvJ prejudiciële vragen die – kortgezegd – de aard van Uber betreffen. Kwalificeert dit, zo vraagt de Spaanse rechter kortgezegd, als een dienst van de informatiemaatschappij of is het een vervoersdienst?

In het eerste geval valt het onder de reikwijdte van het vrije verkeer van diensten met als gevolg dat eventuele vergunningsverplichtingen van de stad Barcelona onrechtmatig kunnen zijn. In het tweede geval kan Uber geen beroep doen op het vrije verkeer van diensten en staat het overheden vrij om het te reguleren.

Conclusie van AG Szpunar

Volgens de AG is Uber een “gemengde dienst” omdat een deel daarvan langs elektronische weg gerealiseerd wordt en het andere deel (vervoer van consumenten) per definitie niet. Een dergelijke dienst kan vallen onder het begrip dienst van de informatiemaatschappij onder de volgende voorwaarden:

  • het elektronische deel van de dienst is onafhankelijk van de niet langs elektronische deel te verrichten dienst. Dit bijvoorbeeld het geval bij de bemiddelingsplatforms voor het kopen en vliegtickets; of
  • als beide delen (elektronisch en niet-elektronisch) onlosmakelijk verbonden zijn, omdat dezelfde dienstverrichter deze uitvoert , of een beslissende invloed uitoefent op de omstandigheden waaronder de dienst verricht wordt. Vereist is daarbij dat dienst grotendeels via elektronische weg gerealiseerd wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij online verkoop van goederen.

Bij (i) is het elektronische deel een bemiddelingsdienst: het is een manier om consumenten en ondernemingen met elkaar in contact te brengen zonder invloed uit te oefenen op de kwaliteit van de (niet-elektronische) dienst. Uber is volgens AG Szpunar niet een bemiddelingsdienst. De Uber-chauffeurs functioneren namelijk niet onafhankelijk van Uber dat via verschillende instrumenten controle uitoefent over belangrijke aspecten van de vervoersdienst zoals de ritprijs, de veiligheidsvoorschriften en de werktijden. De AG benadrukt in dit verband dat men zich niet moeten laten misleiden door het feit dat de relatie tussen Uber en de chauffeurs niet in een klassieke werknemer-werkgever-verhouding is vervat. De activiteiten van de chauffeurs kunnen volgens de AG ook niet losgezien worden van Uber.

Bij (ii) dient het elektronische deel de hoofdmoot van de dienst uitmaken. Dit is echter bij Uber niet het geval nu de nadruk ligt op het vervoer van passagiers volgens de AG.

AG Szpunar concludeert dat Uber als een vervoersdienst aangemerkt moet worden, waardoor de aanbieders van dit programma geen beroep kunnen doen op het vrij verkeer van diensten wanneer overheden hun activiteiten reguleren.

Tot slot

Indien het HvJ de conclusie van AG Szpunar overneemt, dan hebben overheden vanuit EU-perspectief min of meer de vrije hand om Uber aan dezelfde juridische vereisten te onderwerpen als conventionele taxibedrijven. Hierdoor bestaat een mogelijkheid om dit onderdeel van de nieuwe economie te reguleren om publieke belangen te waarborgen. Dit is nodig nu de nieuwe economie, zoals eerder in een NJB Vooraf aangegeven, niet mag ontaarden in een race to the bottom.

De zaak illustreert tevens dat ondernemers kans hebben indien zij bij de rechter opkomen tegen het gebrek aan regulering van de diensten van de nieuwe economie en het concurrentievervalsende element dat daarvan uitgaat.

Het bericht ‘Uber alleen een bemiddelingsdienst, of gewoon een taxi business?‘ is een bericht van Stibbeblog.nl.