De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 4 mei jl. de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (hierna: "de Regeling") buiten werking gesteld. De Regeling, die op 1 maart 2017 in werking is getreden, is in het leven geroepen om de uitstoot van fosfaat in de melkveehouderij onder het met de Europese Commissie afgesproken fosfaatplafond te brengen. Daarom is in de Regeling bepaald dat melkveehouders zogenoemde 'reductiedoelstellingen' moeten behalen. Deze reductiedoelstellingen zijn vastgesteld op grond van het aantal vrouwelijke runderen dat op 2 juli 2015 (de referentiedatum) op het bedrijf aanwezig was. Indien melkveehouders niet aan de reductiedoelstellingen voldoen, wordt een heffing opgelegd.

Meerdere melkveehouders zijn een kort geding tegen de Staat gestart met als inzet de buitentoepassingverklaring van de Regeling. Als belangrijkste argument voeren zij aan dat de Regeling in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In dit artikel is de bescherming van eigendom geregeld.

Vonnis

De voorzieningenrechter heeft in meerdere vonnissen van 4 mei jl. geoordeeld dat de Regeling voorziet in beperkingen ten aanzien van het gebruik van het eigendom. Zij moet daarom worden gekwalificeerd als regulering van eigendom, die mogelijk is op grond van de Landbouwwet. De Regeling dient voorts een gerechtvaardigd algemeen belang, aldus de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de regeling niet proportioneel is voor melkveebedrijven die vóór 2 juli 2015 al investeringen hebben gedaan voor de uitbreiding van hun bedrijf. De bedrijfsvoering wordt door de Regeling zodanig beperkt, dat kan worden aangenomen dat de winstgevendheid in vergaande mate wordt aangetast. De Regeling was op deze manier niet te voorzien en deze bedrijven hoefden dan ook geen rekening te houden met het feit dat de investeringen die zij vóór 2 juli 2015 hebben gedaan, door de Regeling zouden worden getroffen. Deze investeringen zijn gedaan in overeenstemming met de vanaf 1 januari 2015 ingevoerde regelgeving om grondgebonden groei te bevorderen. Verder is in de Regeling volgens de voorzieningenrechter slechts een beperkte en ontoereikende knelgevallenregeling opgenomen. Voor biologische boeren heeft de voorzieningenrechter bovendien geoordeeld dat de Regeling een oplossing beoogt te bieden waarbij biologische boeren geen belang hebben, voor een probleem waaraan zij feitelijk niet bijdragen.

Nu de Regeling een onevenredige last op deze melkveebedrijven legt, in deze vorm niet voorzienbaar was en geen enkele compensatie voor eisers biedt, is de Regeling in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. De Regeling wordt dan ook voor de melkveebedrijven in deze procedure buiten werking gesteld.

Gevolgen voor andere melkveehouders

De gevolgen voor de melkveehouders die niet in deze procedure waren betrokken, zijn op dit moment nog niet bekend. De uitspraak betekent niet automatisch dat zij niet meer gebonden zijn aan de Regeling. Afhankelijk van de reactie van de Minister van Economische Zaken dienen zij zelf op te komen tegen de Regeling dan wel tegen de individuele beschikkingen, die nog zullen worden genomen op basis van de Regeling.