Het onderzoek van de Raad kwam op gang na een clementieverzoek van twee van de karteldeelnemers bij wie de Duitse Mededingingsautoriteit reeds was binnengevallen in 2008.

Er werd vastgesteld dat vijf maalderijen, waaronder Werhahn, Meneba, Ceres, Dossche en Brabomills, een schending hadden begaan op zowel de Belgische als de Europese mededingingsregels.

Volgens de Raad hebben deze vijf maalderijen (gevestigd in België, Nederland en Duitsland) afspraken gemaakt waarbij commercieel gevoelige informatie werd uitgewisseld. Daarnaast werden er ook periodieke prijsstijgingen onderling op elkaar afgestemd ter stabilisering van de marktposities van de betrokken ondernemingen. Er was volgens de Raad sprake van structureel en regelmatig overleg tussen de concurrenten wat beantwoordde aan de gemeenschappelijke wil om elkaars gedrag op de markt te kennen en te beïnvloeden. Dit werd voldoende bewezen op basis van de clementieverklaringen, getuigenverklaringen, het veelvuldig telefonisch contact en de verzamelde notities en stukken. Dergelijke praktijken werden als zeer ernstige inbreuken op het mededingingsrecht beschouwd.

In Nederland was reeds een onderzoek gestart in de meelsector watin 2012 had geleid tot hoge boetes voor een aantal van de ondernemingen die ook in de Belgische zaak betrokken waren. Vanwege deze straffen, het feit dat de meelsector het al geruime tijd moeilijk heeft en de lange duur van het onderzoek, besliste de Raad om slechts beperkte forfaitaire boetes op te leggen. Dossche, Ceres en Barbomills hebben elk een boete van 100.000 € gekregen. Meneba is, gezien haar clementieaanvraag, verplicht een boete van 70.000 € te betalen. Aangezien Werhahn als eerste het kartel heeft aangegeven, kreeg dit bedrijf geen boete.