Op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, verschaft de overheid nuttige informatie aan de burgers en de ondernemingen over het economisch recht. Zo bevat de website toelichtingen over de toepassing van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, met inbegrip van de regels inzake solden en sperperiodes. De FOD verwijst naar artikel 27 van de wet dat voorziet dat de (zomer)solden beginnen op 1 juli, maar vreemd genoeg zegt de FOD niets, zelfs niet in een voetnoot, over de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Hof van Justitie van de EU die beide oordeelden dat de Belgische regels inzake solden en sperperiodes in strijd zijn met het Europees recht (Cass. 2 november 2011, Nr. C.09.0436.N en HJEU 15 december 2011, C-126/11). De regels inzake solden en sperperiodes zijn meer in het bijzonder in strijd met de Europese richtlijn nr. 29/2005 inzake oneerlijke handelspraktijken, want die richtlijn staat niet toe dat de lidstaten verbodsbepalingen opleggen over het gebruik van het woord solden vóór of na een bepaalde datum noch over het aankondigen van prijsverminderingen in de periode die de solden voorafgaat.

Strikt genomen is het correct dat de rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Hof van Justitie betrekking heeft op de verenigbaarheid met het Europees recht van de handelspraktijkenwet van 14 juli 1991, maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat de vraag over de verenigbaarheid anders zou moeten worden beoordeeld voor de marktpraktijkenwet van 6 april 2010. De principes en de regels inzake de solden en de sperperiode zijn immers quasi identiek in beide wetten. Het is bijzonder betreurenswaardig dat de FOD Economie de burgers en ondernemingen verkeerd inlicht over de juiste draagwijdte van de wetgeving zoals die door de hoogste rechterlijke instanties is vastgesteld.

Nu de Belgische regels inzake solden en sperperiodes strijdig zijn met het Europees recht, mag iedere onderneming al vóór 1 juli met soldenkoopjes starten en zijn prijsverminderingen in de sectoren van de kleding, lederwaren en schoenen ook mogelijk tijdens de zogenaamde sperperiodes (de periode van 25 dagen die de solden voorafgaat en waarin aankondigingen van prijsverminderingen verboden waren).

Inmiddels werkt de regering aan een nieuw wettelijk kader voor de solden en de sperperiodes. Het uitgangspunt hierbij zal zijn dat de solden en sperperiodes wettelijk gereglementeerd worden, niet ter bescherming van de consument, maar wel ter bescherming van de kleinhandel. Als de wet er niet meer toe strekt om de doorzichtigheid en juistheid van de prijzen te verzekeren vóór en tijdens de soldenperiodes, valt hij buiten het toepassingsgebied van de Europese richtlijn nr. 29/2005 inzake de marktpraktijken. Dan kan de Belgische wetgever naar eigen believen reglementerend optreden, buiten het toezicht van het Hof van Justitie.

De regering herschrijft dus nu de Marktpraktijkenwet waarbij de principes en de regels inzake de solden en de sperperiodes onveranderd blijven en waarbij enkel de ratio legis wordt veranderd. De wetgever zal nu uitdrukkelijk stellen dat de solden en sperperiodes worden gereglementeerd teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen en niet langer teneinde ook de consument te beschermen. Zo hoopt de wetgever dat de regels buiten het toepassingsgebied van de Europese richtlijn nr. 29/2005 vallen en er dus niet langer mee in strijd zijn. Maar of het Hof van Justitie dit “compromis à la belge” zal goedkeuren is uiterst twijfelachtig!

Het laatste woord over de nieuwe marktpraktijkenwet (die wordt ingevoegd als boek VI van het Wetboek Economisch Recht) is dus nog lang niet gezegd.