In zijn arrest van 11 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1678) liet de Hoge Raad zich uit over de vraag of een verzekeraar uitsluitingen in de polisvoorwaarden kan tegenwerpen aan een regresnemende verzekeraar die zij (op grond van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen, "WAM") niet jegens de benadeelde kan tegenwerpen aan wie de regresnemende verzekeraar een uitkering onder de polis heeft gedaan. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het hof dat Goudse de uitsluitingsgrond die zij meende te kunnen inroepen tegen haar verzekerde niet kon inroepen tegen Aegon. Aegon kon de betalingen die zij had verricht aan de benadeelden dus niet zonder meer op Goudse verhalen.

Feiten

Een autobezitter heeft zijn Volkswagen laten repareren bij een garage. Voor deze auto was bij Algemene Zeeuwse Verzekeringsmaatschappij (later: Goudse Schadeverzekeringen N.V., hierna: "Goudse") een WAM-verzekering afgesloten. De garage heeft de autobezitter gedurende de reparatie een Peugeot ter beschikking gesteld, waarvoor de garage een garageverzekering had afgesloten bij Aegon Schadeverzekering N.V. ("Aegon") die mede het WAM-risico dekte.

De autobezitter heeft met de Peugeot onder invloed van alcohol in België een motorrijder van achteren aangereden, ten gevolge waarvan de motorrijder is overleden. Aegon heeft de afhandeling jegens de nabestaanden van de motorrijder op zich genomen en heeft de nabestaanden een bedrag van € 17.705,86 betaald. In deze procedure vorderde Aegon een verklaring voor recht dat Goudse gehouden is dekking te verlenen onder de WAM-verzekering voor de door de nabestaanden geleden schade en dat Goudse gehouden is tot betaling aan Aegon van het bedrag dat Aegon aan de nabestaanden heeft betaald.

Rechtbank en hof

De rechtbank Middelburg wees de vordering toe. Het hof Den Haag bekrachtigde het vonnis. Het hof overwoog daartoe onder meer dat beide verzekeringen een samenloopclausule bevatten: de garagepolis van Aegon bevatte een harde na-u-clausule en de WAM-verzekering van Goudse een zachte na-u-clausule, zodat Goudse in beginsel gehouden is dekking te verlenen. Goudse beriep zich echter onder meer op een uitsluiting in haar polisvoorwaarden (verzwijging bij het sluiten van de verzekering). Het hof overwoog verder dat het standpunt van Goudse erop neerkomt dat zij de uitsluitingsgrond die zij meent te kunnen inroepen tegen haar verzekerde redelijkerwijs ook kan inroepen tegen Aegon. Het hof oordeelde echter dat deze stelling niet opgaat. Indien de benadeelden Goudse hadden aangesproken, had zij de schade aan hen moeten vergoeden. Een uitsluitingsgrond als door Goudse bedoeld, kan immers niet aan de benadeelden worden tegengeworpen. Gelet hierop kan Goudse naar het oordeel van het hof de betreffende uitsluitingsgrond ook niet tegen Aegon inroepen. Dit zou anders kunnen zijn wanneer de verzekeraar wordt aangesproken tot betaling door haar verzekerde. In een dergelijk zal de verzekeraar een uitsluitingsgrond die zij tegen haar verzekerde kan inroepen onder omstandigheden ook tegen de regresnemende verzekeraar kunnen inroepen. Nu het in het onderhavige geval echter gaat om schade van de benadeelden, gaat het beroep op de uitsluitingsgrond niet op, aldus het hof.

Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof. In zijn oordeel stelde de Hoge Raad voorop dat indien Aegon zou worden aangesproken door haar verzekerde en tot uitkering aan die verzekerde zou zijn overgegaan, haar verhaalsvordering (op Goudse) zou falen, indien Goudse zich terecht op het standpunt stelt wegens verzwijging geen dekking te hoeven verlenen. In dat geval zou immers niet dezelfde schade door meer dan één verzekering worden gedekt (7:961 lid 1 BW), zodat onderling verhaal tussen de verzekeraars op de voet van artikel 7:961 lid 3 BW niet in aanmerking komt.

In het onderhavige geval is het echter niet de verzekerde, maar een benadeelde die Aegon heeft aangesproken en aan wie zij heeft uitgekeerd. Er is volgens de Hoge Raad evenwel geen grond om te oordelen dat onder deze omstandigheden wel met succes verhaal door Aegon kan worden gezocht op de grond dat Goudse die benadeelde ingevolge art. 6 lid 1 en 11 lid 1 WAM de ingeroepen dekkingsuitsluiting niet had kunnen tegenwerpen. Die omstandigheid hangt immers niet samen met de in de polisvoorwaarden geformuleerde dekking, maar is een gevolg van de door de WAM bij wijze van beschermingsmaatregel aan een benadeelde toegekende bijzondere rechtspositie, aldus de Hoge Raad.