De zaak betrof een aandelenoverdracht van een onderneming actief in de verlichtingssector.

De zaakvoerder van de onderneming kocht op deze manier de andere twee aandeelhouders uit. De verkoopovereenkomst bevatte een niet-concurrentiebeding van vijf jaar dat zich uitstrekte over het gehele grondgebied van de Europese Unie waarbij de verkopers er zich toe verbonden geen verlichtingsarmaturen te produceren of commercialiseren die afgeleid zijn van én ernstige vormelijke gelijkenissen vertonen met een ontwerp in het huidige gamma van de onderneming in kwestie, in ruil voor een vergoeding van 50.000 EUR voor elke verkoper.

De discussie betrof de geldigheid van het niet-concurrentiebeding en, desgevallend, de schending ervan.

In eerste aanleg kreeg de zaakvoerder-koper gelijk, en werden de verkopers veroordeeld tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding voor het schenden van het niet-concurrentiebeding en tot het terugbetalen van de reeds uitbetaalde compensatie.

In beroep werd het niet-concurrentiebeding echter nietig verklaard. Het hof van beroep te Gent stelde, onder verwijzing naar het decreet d’Allarde (dat het geldende recht was ten tijde van het sluiten van de overeenkomst) dat de duur de tijd die de overnemer nodig heeft om zijn cliënteel te vormen – in casu geraamd op 36 maanden – overschreed. Bovendien werd er enkel goodwill overgedragen (en geen knowhow). Volgens de Mededeling van de Commissie betreffende beperkingen die rechtstreeks verband houden met en noodzakelijk zijn voor de totstandbrenging van concentraties, zijn niet-concurrentiebedingen in zulk geval zelfs slechts voor perioden van maximaal twee jaar gerechtvaardigd. Ook geografisch werd het beding te ruim bevonden, gezien de onderneming voornamelijk actief is in de Benelux, Frankrijk en Engeland en internationalisering niet aannemelijk is.

Het hof oefende vervolgens haar matigingsbevoegdheid uit (mede onder verwijzing naar het door partijen voorziene ‘deelbaarheidsbeding'), en hervormde het niet-concurrentiebeding zodat het slechts een periode van drie jaar en het grondgebied van de Benelux, Frankrijk en Engeland betrof. Het mag vermeld worden dat het gematigde beding aldus nog steeds een langere duurtijd beslaat dan de duurtijd die door de Europese Commissie in een soortgelijke situatie wordt aanbevolen.

Het hof oordeelde verder dat er in ieder geval geen schending was van het (gematigde) niet-concurrentiebeding bij gebreke aan de noodzakelijke ‘ernstige vormelijke gelijkenissen’ tussen de producten van eisende en verwerende partij(en). De verkopers haalden bijgevolg toch nog hun slag thuis.