Deze bijdrage gaat in de nieuwe bepalingen van Boek 3 inzake vruchtgebruik, erfpacht en opstal die van belang zijn bij commerciële vastgoedtransacties. Vanuit praktisch oogpunt worden de belangrijkste wijzigingen en hun gevolgen geanalyseerd en toegelicht aan de hand van concrete toepassingsgevallen. Het boek gaat uit van een geïntegreerde aanpak, waarbij wordt stilgestaan bij de mogelijke fiscale impact op het vlak van registratierechten en de mogelijke gevolgen in het kader van vastgoedfinanciering.

Op 17 maart 2020 werd de wet van 4 februari 2020 houdende de invoeging van Boek 3 “Goederen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Met het nieuwe Boek 3 wenst de wetgever (de regels van) het goederenrecht beter te structureren, te moderniseren en in één wettekst te integreren. Zo worden verschillende wetten, waaronder de Opstalwet, Erfpachtwet en verschillende bepalingen van de Hypotheekwet, opgeheven en in Boek 3 geïmplementeerd. Daarnaast beoogt de wetgever een functioneel, bruikbaar en flexibel goederenrecht te creëren met een nieuw – soms delicaat – evenwicht tussen wilsautonomie en rechtszekerheid.

De nieuwe bepalingen van Boek 3 zijn op 1 september 2021 in werking getreden, met uitzondering van enkele bepalingen inzake onroerende publiciteit die uiterlijk op 1 juli 2022 in werking zullen treden (tenzij de Koning in een eerdere datum zou voorzien). Algemeen gesteld, zijn de nieuwe bepalingen van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na 1 september 2021 (met een overgangsregeling voor opstalrechten toegekend vóór de inwerkingtreding in het kader van onroerende heterogene complexen).

Wij beperken ons in deze bijdrage tot een analyse van de nieuwe bepalingen van Boek 3 inzake vruchtgebruik, erfpacht en opstal die van belang zijn bij commerciële vastgoedtransacties. Vanuit praktisch oogpunt bespreken wij de nieuwe regels en hun (mogelijke) gevolgen voor de vastgoedpraktijk. In Deel 1 tot en met 4 lichten wij de belangrijkste wijzigingen toe aan de hand van concrete toepassingsgevallen. In Deel 5 staan wij stil bij de positie van de hypothecaire schuldeiser en in Deel 6 onderzoeken wij de mogelijke fiscale impact op het vlak van registratierechten.

Aangezien het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 ingevolge de wet van 13 april 2019 door het Nieuw Burgerlijk Wetboek werd vervangen, verwijst deze bijdrage naar het “oud” Burgerlijk Wetboek en het “oude recht” wanneer het Burgerlijk Wetboek van 1804 en de regels van het goederenrecht die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2020 worden bedoeld. Met de termen “Burgerlijk Wetboek” en “het nieuwe (goederen)recht” worden het nieuw Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van Boek 3 aangeduid.

Het zij opgemerkt dat deze bijdrage is geschreven vanuit de persoonlijke overwegingen van de auteurs, die kunnen evolueren in het licht van de rechtspraak, rechtsleer en administratieve commentaren en toekomstige wetswijzigingen.