Op 4 juli 2019 is het langverwachte wetsvoorstel “Wet ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven” ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel heeft tot doel samenwerking tussen ondernemingen op het gebied van duurzaamheid te bevorderen door de mogelijkheid te creëren hun initiatieven om te laten zetten in algemeen verbindende voorschriften. Door een duurzaamheidsinitiatief in regelgeving te vertalen zouden ook een aantal belemmeringen voor de totstandkoming of voor het succes van dergelijke initiatieven worden weggenomen, zoals de mededingingsregels.

Dit wetsvoorstel is interessant om in ieder geval twee redenen: (i) het laat zien dat duurzaamheid hoog op de agenda staat van de Nederlandse regering en (ii) het laat samenwerkingsverbanden toe die anders misschien niet zouden zijn toegestaan onder de mededingingsregels, meer specifiek het kartelverbod.

Mariska van de Sanden en Hera Butt schreven hierover een blog op Kluwer Competition Law Blog. In die blog gaan zij onder meer in op de volgende vragen:

Waarom is het wetsvoorstel nodig? De directe aanleiding voor het wetsvoorstel is het spanningsveld tussen de mededingingsregels en duurzaamheid. Dat spanningsveld kwam duidelijk naar voren bij bijvoorbeeld afspraken tussen supermarkten, pluimveeslachterijen en -houders over duurzamer geproduceerd pluimveevlees (de zogenaamde Kip van Morgen), bij samenwerking tussen textielproducenten over leefbare lonen in productielanden en bij gezamenlijke afspraken over het sluiten van vijf kolencentrales binnen het Energieakkoord. Die initiatieven vonden geen doorgang, omdat de ACM vond dat daarmee het kartelverbod, opgenomen in artikel 6 Mededingingswet en artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”), zouden worden overtreden. Duurzaamheidsinitiatieven die de regering om meerdere redenen gewenst acht, worden hierdoor in sommige gevallen belemmerd.

Wat regelt het wetsvoorstel? Het wetsvoorstel regelt hoe partijen aan de betrokken minister kunnen verzoeken hun duurzaamheidsinitiatief in regelgeving te vertalen. In principe kan een ieder daar om verzoeken: organisaties, ondernemingen en zelfs individuele burgers. Het verzoek moet wel gepaard gaan met een uitgebreide onderbouwing van onder meer het draagvlak in de samenleving. De minister zal vervolgens een afweging maken, waarbij de minister in ieder geval de ACM om advies vraagt voor wat betreft de markteffecten. Daarnaast zal de minister onder meer rekening houden met de uitvoerbaar- en handhaafbaarheid van het initiatief en beoordelen of er minder beperkende alternatieven bestaan.

Is het wetsvoorstel in strijd met het Europees recht (artikel 4 VEU)? Interessant is of het wetsvoorstel niet leidt tot strijdigheid met artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie (“VEU”). Immers, met dit wetsvoorstel worden duurzaamheidsinitiatieven toegestaan die op grond van het mededingingsrecht mogelijk geen doorgang hadden kunnen vinden. Hoewel het kartelverbod op zichzelf is gericht tot ondernemingen en niet tot wetten of voorschriften van lidstaten, vereist het kartelverbod, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, VEU, dat lidstaten zich onthouden van i) het opleggen of aanmoedigen van met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregelingen of die de gevolgen ervan versterken, en ii) het ontnemen van het overheidskarakter van overheidsmaatregelen door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten die van invloed zijn op de economische sfeer te delegeren aan particuliere marktdeelnemers. Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel zou daarvan in dit geval echter geen sprake zijn.