Arresten GwH 10 oktober ’19 (nr. 129/2019 en nr. 131/2019): “De herrijzenis van het substituerend vorderingsrecht”

Het “substituerend vorderingsrecht” is het recht om in rechte op te treden namens respectievelijk de gemeente of de provincie wanneer deze besturen nalaten dat zelf te doen. Dit recht werd echter gekruisigd door de wetgever, eerst op gemeentelijk niveau en vervolgens ook provinciaal.

Hoewel de mogelijkheid om namens de gemeente of provincie in rechte op te treden voorwaardelijk was, was zij in vele gevallen de enige weg voor particulieren om het rechterlijk toezicht op onwettige handelingen te activeren. In 1993 kreeg dit vorderingsrecht een hernieuwde belangstelling, met name na de invoering van de milieustakingsvordering (bij Wet van 12 januari 1993). Op basis van deze wet konden particulieren namens gemeentes en provincies een vordering tot staking instellen ter bescherming van het leefmilieu of ter voorkoming van een ernstige dreiging voor het leefmilieu. De regeling omtrent de milieustakingsvordering, samen gelezen met een substituerend vorderingsrecht, komt erop neer dat een inwoner een vordering tot staking namens de gemeente of provincie kan instellen waarbij het belang van deze inwoner wordt vermoed.

Het “veelvuldig gebruik” van de milieustakingsvordering zorgt er volgens het Grondwettelijk Hof voor dat het wegnemen van deze mogelijkheid voor de burger een problematiek oplevert die onder het toepassingsgebied van het grondwettelijk recht op de bescherming van een gezond leefmilieu (artikel 23, derde lid, 4° Grondwet) valt. Bijgevolg moet deze problematiek getoetst worden aan artikel 23 Grondwet en de daaruit voortvloeiende “standstill-verplichting”, die eraan in de weg staat dat de wetgever het bestaande beschermingsniveau in de wetgeving terugschroeft zonder geldige redenen van algemeen belang. Het Hof oordeelde in de twee aangehaalde arresten dat het opheffen van het substituerend vorderingsrecht weldegelijk een vermindering van het bestaand beschermingsniveau inhoudt, en vernietigt bijgevolg de regelgeving waarbij vermeld vorderingsrecht werd geschrapt. Bijgevolg herleeft het substituerend vorderingsrecht op zowel gemeentelijk als op provinciaal niveau.