De mededingingsregels zijn niet van toepassing op producentenorganisaties voor zover zij de door het gemeenschappelijk landbouwbeleid opgedragen taken uitvoeren. Dit oordeelde de advocaat-generaal (AG) bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in zijn conclusie van 6 april jl.

Producentenorganisaties vervullen een belangrijke functie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat gericht is op een versterking van de positie van producenten in de keten. Zo kunnen producentenorganisaties op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onder andere het aanbod en de afzet van de productie van de leden concentreren en de productie aanpassen aan de vraag (aanbodplanning). De uitvoering van deze taken door een producentenorganisatie impliceert het vaststellen van de prijzen en het beperken van het aanbod, hetgeen op gespannen voet staat met de mededingingsregels. Doordat de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid boven de doelstellingen van het mededingingsbeleid prevaleren, vallen de gedragingen van producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties die strikt noodzakelijk zijn voor de uitoefening van door het gemeenschappelijk landbouwbeleid opgedragen taken niet onder de mededingingsregels, volgens de AG.

Deze bijzondere status geldt volgens de AG niet voor de afspraken over minimumprijzen en producthoeveelheden die tussen producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties actief in de Franse witlofsector zijn gemaakt. Op deze afspraken zijn de mededingingsregels volgens hem gewoon van toepassing.

De conclusie van de AG is een niet-bindend advies aan het HvJ EU ten behoeve van de beantwoording van de vragen die het Franse Hof van Cassatie heeft gesteld over de toepassing van de mededingingsregels op de gedragingen van producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties die verband houden met de op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opgedragen taken.

Het Hof van Cassatie heeft deze vragen gesteld in de nationale procedure over de kartelboete van bijna vier miljoen euro die de Franse mededingingsautoriteit vijf jaar geleden heeft opgelegd aan producentenorganisaties, verenigingen van producentenorganisaties en brancheorganisaties actief in de Franse witlofsector. De Franse mededingingsautoriteit oordeelde dat deze ondernemingen onderling prijsafspraken hadden gemaakt en daarmee het kartelverbod hadden overtreden. Door verschillende gedragingen, zoals het onderling circuleren van instructies met betrekking tot minimumprijzen, het afstemmen van productiebeperkingen en de uitwisseling van prijsinformatie, zouden de betrokken ondernemingen getracht hebben minimumprijzen voor witlof in stand te houden. Naar het oordeel van de mededingingsautoriteit, bestond het kartel meer dan een decennium: van 1998 tot 2012.

De opgelegde kartelboete is in 2014 vernietigd door het Hof van Beroep in Parijs. Het Hof van Beroep oordeelde dat de mededingingsregels niet van toepassing waren op de gedragingen van de organisaties omdat deze voortvloeiden uit de taken die door het gemeenschappelijk landbouwbeleid aan hen waren opgedragen. De zaak is vervolgens voor het Hof van Cassatie, de hoogste Franse rechter, gebracht en deze heeft het HvJ EU om uitleg gevraagd.

Een beantwoording door het HvJ EU wordt op zijn vroegst in het najaar verwacht. In veel gevallen volgt het HvJ EU de conclusie van de AG, maar het HvJ EU kan tot een afwijkend oordeel komen. De antwoorden van het HvJ EU zijn bindend voor het Hof van Cassatie.