Woningcorporaties en het scheiden van hun bezittingen in DAEB en niet-DAEB

Op basis van de Woningwet scheiden corporaties vanaf 1 januari 2018 hun bezit in DAEB (Diensten van Algemeen Economisch Belang) en niet-DAEB. Een corporatie is minimaal verplicht om de niet-DAEB-activiteiten binnen de eigen organisatie via een gescheiden boekhouding administratief te scheiden. De corporatie kan ervoor kiezen om de niet-DAEB-activiteiten af te splitsen in een of meer juridische dochters.

Een corporatie kan ook kiezen voor een combinatie, waarbij een deel van de niet-DAEB-activiteiten wordt ondergebracht binnen de eigen organisatie, en een deel in een bestaande of nieuwe juridische dochter. Deze variant wordt de hybride variant genoemd. Alle woningcorporaties moesten vóór 1 januari 2017 een ontwerpvoorstel voor het administratief scheiden of juridisch splitsen van hun organisatie in een DAEB- en een niet-DAEB-tak indienen. De voorstellen moesten uiterlijk 1 juli 2017 definitief zijn. Vrijwel alle corporaties gaan het nieuwe jaar in met een goedkeurend oordeel van de Autoriteit woningcorporaties (Aw). Drie corporaties hebben uitstel gekregen voor het indienen van een scheidingsvoorstel. Een andere corporatie heeft, vanwege bijzondere omstandigheden, uitstel voor de invoering van de scheiding gekregen. In gevallen waar de Aw een voorstel in eerste instantie wilde afkeuren, is overlegd met de corporaties en de betrokken gemeenten om tot een aangepast voorstel te komen. Die voorstellen zijn vervolgens alsnog goedgekeurd.

Vaststellen jaarrekening door woningcorporaties

Voor het aanleveren van de verantwoordingsinformatie kregen woningcorporaties in 2017 nog tot 1 juli de tijd. Dat is nu veranderd. Vanaf 2018 moeten woningcorporaties deze gegevens jaarlijks vóór 1 mei aanleveren bij de Autoriteit woningcorporaties (Aw).

Melden ontoereikende liquiditeitsbuffer derivaten gewijzigd

Corporaties (en hun dochtermaatschappijen) dienen een liquiditeitsbuffer aan te houden die een daling van de vaste rente in de markt van rentederivaten met 2%-punt kan opvangen. Indien die liquiditeitsbuffer een geringere omvang heeft dan vereist, dient de corporatie (dan wel de dochtermaatschappij) dat terstond te melden aan de Autoriteit woningcorporaties (Aw).

Wet Doorstroming Huurmarkt en tijdelijke huurovereenkomsten

De Wet Doorstroming Huurmarkt heeft een wijziging aangebracht in de vereisten voor het opzeggen van een huurovereenkomst woonruimte. Dat is medio 2016 ingegaan, maar het is nogmaals goed om op deze aanpassingen te wijzen. Het is door deze wet eenvoudiger geworden om tijdelijke huurovereenkomsten aan te gaan. Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de diverse situaties:

  • Opzegging blijft vereist voor de huur van zelfstandige woonruimte met een duur van meer dan 2 jaar en voor onzelfstandige woonruimte met een duur van meer dan vijf jaar.
  • Opzegging is niet vereist voor de huur van zelfstandige woonruimte met een duur korter dan 2 jaar en voor onzelfstandige woonruimte met een duur korter dan vijf jaar. In deze huurperiode heeft de huurder overigens wel huurprijsbescherming. De verhuurder dient de huurder wel een kennisgeving te sturen over het einde van de huurovereenkomst. Deze kennisgeving mag niet eerder dan drie maanden en niet later dan één maand vóór het eindigen van het huurcontract aan de huurder worden toegezonden. Gebeurt dit niet, dan ontstaat er een huurcontract voor onbepaalde tijd en geniet de huurder alsnog volledige huurbescherming. Het bewijs dat de huurder deze kennisgeving heeft ontvangen rust op de verhuurder. Het is dus raadzaam om deze kennisgeving aangetekend met bericht van ontvangst of per deurwaardersexploit te versturen.
  • Om het de huurder makkelijker te maken om tijdig een andere woonruimte te vinden, mag de huurder de tijdelijke huurovereenkomst tussentijds opzeggen tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag. De verhuurder kan de tijdelijke huurovereenkomst overigens niet tussentijds opzeggen.
  • Er is een verbod voor het aangaan van een reeks van tijdelijke huurovereenkomsten met dezelfde huurder. Indien dat toch gebeurt, dan heeft de huurder het voordeel; de tweede tijdelijke huurovereenkomst wordt dan gezien als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Op grond van artikel 48 lid 1 Woningwet mogen woningcorporaties voor zelfstandige sociale woningen (zijnde “DAEB-woningen”) geen kortdurende huurovereenkomsten sluiten, tenzij het om door de Minister aan te wijzen groepen gaat, zoals bewoners van noodopvang en bewoners van te renoveren woningen.

Inhoudsopgave