Een beding in de polisvoorwaarden waarin de arbeidsongeschiktheid van de verzekerde eenzijdig wordt vastgesteld door de verzekeraar en de verzekerde geacht wordt de vaststelling van de verzekeraar te hebben aanvaard als niet binnen dertig dagen bezwaar wordt gemaakt, is niet oneerlijk voor consumenten in de zin van de Europese richtlijn 93/13/EEG. Zo luidt het antwoord van de Hoge Raad op prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag.

Feiten

Een zelfstandig ondernemer heeft in 2001 een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: "NN"). In 2007, een aantal jaren na het afsluiten van deze verzekering, meldt verzekerde zich arbeidsongeschikt. Sindsdien ontvangt hij een uitkering op basis van steeds wisselende arbeidsongeschiktheidspercentages. Per 31 december 2013 heeft NN de uitkering geheel gestaakt, omdat volgens haar per die datum de arbeidsongeschiktheid minder dan 25 % bedraagt. Medio 2014 meldt verzekerde zich weer arbeidsongeschikt bij NN. De op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden door NN ingeschakelde deskundige komt tot de conclusie dat verzekerde voor minder dan 25 % arbeidsongeschikt is. De uitkering wordt daarom niet hervat.

Verzekerde is het hier niet mee eens. Hij start een juridische procedure bij de rechtbank Den Haag. Primair stelt verzekerde zich op het standpunt dat hij vanaf 2007 onafgebroken volledig arbeidsongeschikt is. Subsidiair betoogt verzekerde dat de op verzoek van NN opgemaakte rapportages buiten beschouwing moeten blijven, nu die eenzijdig zijn opgesteld, zonder dat daarover met hem is overlegd. Verzekerde vindt dat artikel 14 van de polisvoorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van de Europese richtlijn 93/13/EEG en daarom vernietigbaar. In dit beding is bepaald dat de verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid van de verzekerde vaststelt aan de hand van door haar aan te wijzen medische en andere deskundigen. De verzekerde wordt geacht de vaststelling van de verzekeraar te hebben aanvaard als niet binnen dertig dagen bezwaar wordt gemaakt.

De rechtbank Den Haag besluit een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen over dit beding. Eén van deze prejudiciële vragen is of het beding een onredelijk beding is in de zin van de Europese richtlijn 93/13/EEG.

Hoge Raad

De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Nadat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat de verzekerde een consument is (en dus de richtlijn van toepassing is) en artikel 14 van de polisvoorwaarden geen kernbeding is (en dit beding dus kan worden beoordeeld op een oneerlijk karakter), komt de Hoge Raad tot deze conclusie op basis van het volgende:

  • De bezwaartermijn van dertig dagen is geen vervaltermijn en heeft geen betekenis voor de rechtspositie van verzekerde.
  • Verzekerde kan bezwaar maken tegen het standpunt van de verzekeraar en dit standpunt ter beoordeling voorleggen aan een klachtencommissie of een rechter.
  • Verzekerde hoeft met de toepassing van dit beding zelf geen kosten te maken voor onderzoek.
  • Het rapport van de deskundige heeft slechts de status van een "partij-rapport". Verzekerde kan de uitkomsten hiervan betwisten door een contra-expertise te laten uitvoeren.
  • Op grond van artikel 7:941 lid 2 BW is verzekerde gehouden mee te werken aan een door de verzekeraar gewenst onderzoek.

Hoewel de Hoge Raad nog wel opmerkt dat twijfel kan bestaan over de wenselijkheid van het gebrek aan inspraak van de verzekerde bij de aanwijzing van de deskundige en de daarbij behorende onderzoeksvragen, veroorzaakt het beding volgens de Hoge Raad geen "aanzienlijke verstoring van het evenwicht" tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen. De conclusie van de Hoge Raad dat het beding niet oneerlijk is in de zin van de Europese richtlijn 93/13/EEG, is in lijn met de conclusie van A-G Hartlief.