Volgens artikel 101 van de Belgische Marktpraktijkenwet van 6 april 2010 is het elke onderneming verboden om goederen met verlies te verkopen of te koop aan te bieden. Slechts in uitzonderlijke gevallen is verkoop met verlies toegestaan, onder meer tijdens de solden.

Op basis van deze wetsbepaling stelde een verkoper van elektronica een vordering in tegen een concurrent die twee fotocamera’s aan een uiterst lage prijs verkocht, zodat het niet anders dan om een verkoop met verlies kon gaan. Alvorens een uitspraak te doen over de vermeende verkoop met verlies, besloot de rechtbank van koophandel te Gent aan het Hof van Justitie te vragen of het Belgisch verbod om met verlies te verkopen wel in overeenstemming is met de Europese richtlijn inzake de eerlijke marktpraktijken.

Het Hof van Justitie heeft immers reeds tot twee keer toe beslist dat verbodsbepalingen uit de marktpraktijkenwet strijdig waren met het Europees recht. Eerst besliste het Hof dat de Belgische wetgever geen gezamenlijke aanbiedingen mocht verbieden (arrest van 23 april 2009, C-261/07 en C-299/07). Vervolgens besliste het Hof dat ook de regels inzake de sperperiodes in strijd konden zijn met het Europees recht (arrest van 15 december 2011, C-121/11), wat door het Hof van Cassatie op 2 november 2010 uiteindelijk definitief werd vastgesteld.

Nu gaat het Hof van Justitie verder op de ingeslagen weg in de beschikking van 7 maart 2013 (C-343//12). Het Hof stelt vast dat als een verkoop met verlies werkt als een lokvogelprocedé, hij tot doel heeft “consumenten naar de winkel van een handelaar te lokken en deze consumenten tot kopen aan te zetten.” Dergelijke praktijken “maken dus deel uit van de commerciële strategie van een ondernemer en houden rechtstreeks verband met de verkoopbevordering en de afzet van zijn producten. Zij vormen dan ook handelspraktijken in de zin van artikel 2, sub d, van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en vallen bijgevolg binnen de materiële werkingssfeer van deze richtlijn.” Aangezien de richtlijn exhaustief de marktpraktijken regelt en zelf geen verbod inhoudt om met verlies te verkopen, mogen de nationale wetgevers zelf niet zo’n verbod invoeren. Anders heeft het harmoniseren van de marktpraktijken voor de gehele interne markt geen zin.

De marktpraktijkenwet moet dus opnieuw worden aangepast en hopelijk heeft de Belgische wetgever de politieke moed om voorgoed alle andere bepalingen te schrappen die ook in strijd zijn met het Europees recht, zoals de strikte regels inzake de aankondigingen van prijsvermindering of de uitverkopen.