In de afgelopen tijd is de hoeveelheid jurisprudentie over de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), toegenomen. Daarmee wordt ook zichtbaarder welke gevolgen artikel 3.1.6 lid 2 Bro, dat bedoeld is om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren, voor de praktijk heeft. Zo wordt onder meer duidelijker in hoeverre artikel 8:69a Awb kan worden tegengeworpen aan de partij die zich beroept op schending van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Het begint er inmiddels op te lijken dat de relativiteit niet zo snel in de weg staat aan een vernietiging vanwege strijdigheid met artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1442) had een aantal omwonenden beroep ingesteld tegen een bestemmingsplan voor een bedrijf. Het plan maakte bedrijfsbebouwing mogelijk in agrarisch gebied. Volgens de omwonenden was het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Zij stelden dat het plan niet voldeed aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, aangezien elders op een bestaand bedrijventerrein nog voldoende ruimte beschikbaar was voor de ontwikkeling. Hen werd het relativiteitsbeginsel van artikel 8.69a Awb tegengeworpen, omdat de belangen die artikel 3.1.6 lid 2 Bro beoogt te beschermen niet zouden dienen ter bescherming van de omwonenden.

De Afdeling overwoog dat artikel 3.1.6 lid 2 Bro beoogt om vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik planologisch ongewenste versnippering en leegstand te voorkomen. Volgens de Afdeling is het belang van de omwonenden het behoud van een goed woon- en leefklimaat, nu het in hun belang is dat het perceel dat voorheen was bestemd voor agrarische doeleinden niet onnodig wordt bebouwd. Het oordeel van de Afdeling is dat artikel 3.1.6 lid 2 Bro strekt tot bescherming daarvan. Het relativiteitsbeginsel stond dus niet in de weg aan vernietiging van het bestemmingsplan vanwege artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

De Afdeling vernietigde het bestemmingsplan, maar niet vanwege artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro was niet van toepassing. Volgens de Afdeling was de raad er terecht vanuit gegaan dat het plan niet voorzag in een bedrijventerrein of andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. lid 1 aanhef en onder i Bro. Het plan maakte dan wel een bedrijfsgebouw mogelijk, maar de oppervlakte van de bebouwing (400 m²) en de gebruiksmogelijkheden waren te kleinschalig om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen.

Er zijn ook andere uitspraken die bevestigen dat een kleinschalige ontwikkeling, zoals het mogelijk maken van vier woningen, niet onder artikel 3.1.6 lid 2 Bro valt (zie bijv. ABRvS 18 december 2013,ECLI:NL:RVS:2013:2471). Dat betekent overigens niet dat alleen ontwikkelingen van een grote omvang als nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zo is een uitbreiding van een bedrijventerrein met 1,5 hectare wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:570). De raad betoogde in deze zaak overigens dat per saldo de oppervlakte van het bedrijventerrein niet zou toenemen, zodat geen sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling ging daar echter niet in mee.

Terug naar de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014 over het relativiteitsbeginsel. De Afdeling verwees in verband met artikel 8:69a Awb naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:570). Daarin oordeelde de Afdeling ook dat artikel 8:69a Awb niet in de weg stond aan vernietiging van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorzag in een juridisch-planologische regeling voor een bedrijventerrein en, zoals al aan de orde kwam, voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. In dit geval was beroep ingesteld door o.a. “Behoud Waterland”, waarvan het belang blijkens de statuten was gelegen in het behoud en het herstel van het natuurlijk milieu en het landelijk karakter van Waterland. Ook hier ging het om een onbebouwd perceel, in dit geval bestemd als “Natuurgebied II”. De Afdeling overwoog, net als in de uitspraak van 23 april 2014, dat artikel 3.1.6 lid 2 Bro beoogt vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik planologisch ongewenste versnippering en leegstand te voorkomen. Volgens de Afdeling strekte artikel 3.1.6 lid 2 Bro ook tot bescherming van het belang van Behoud Waterland. Overigens leidde het beroep ook tot vernietiging van het bestemmingsplan, aangezien de raad had nagelaten in de plantoelichting, naast de vraag en het aanbod in de gemeente, ook de vraag en het aanbod in de regio te verantwoorden.

Het wachten is nog op een uitspraak van de Afdeling over het relativiteitsbeginsel bij een beroep op artikel 3.1.6 lid 2 Bro door concurrenten. In een uitspraak over een verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzitter van de Afdeling zich hier al wel over uitgesproken. In de uitspraak van 17 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:698) ging het om een bestemmingsplan voor bouwmogelijkheden voor detailhandel, dienstverlening, horeca, kantoor, leisure en wonen in Heerlen. Namens partijen, NSI en Weller, was aangevoerd dat het plan een te grote toename van de oppervlakte voor detailhandel mogelijk maakte. Appellanten vreesden leegstand en verpaupering en aantasting van het woon-, werk- en leefmilieu in de omgeving. De voorzitter overwoog dat uit artikel 3.1.6 lid 2 Bro volgt dat daarmee wordt beoogd een nieuwe stedelijke ontwikkeling af te stemmen op de geconstateerde actuele behoefte en om de wijze waarop in deze behoefte wordt voorzien, regionaal af te stemmen. Op deze wijze moet volgens de voorzitter over- en ondercapaciteit in stedelijke ontwikkeling zoveel mogelijk worden voorkomen. De voorzitter overwoog er op voorhand niet van overtuigd te zijn dat artikel 3.1.6 lid 2 Bro hiermee kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van NSI en Weller, aangezien NSI eigenaar is van het naastgelegen winkelcentrum ‘t Loon en Weller de ontwikkelaar is van het in het stationsgebied gelegen Maankwartier in Heerlen. Hoe zal hier uiteindelijk over geoordeeld worden?

Het antwoord op die vraag kan al worden afgeleid uit een recente uitspraak van de Afdeling op 16 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2014:1335). Dat ging weliswaar niet over artikel 3.1.6 lid 2 Bro, maar over het gemeentelijke detailhandelsbeleid. Hierbij werd aangevoerd dat artikel 8:69a Awb in de weg zou staan aan een vernietiging van het bestemmingsplan, omdat de supermarkt die het beroep had ingesteld alleen maar bescherming zou zoeken in haar concurrentiebelangen. De Afdeling oordeelde dat artikel 8:69a niet in de weg stond aan een vernietiging van het bestemmingsplan, omdat het belang waarin de supermarkt bescherming zocht was gelegen in het voorkomen van negatieve gevolgen voor het ondernemersklimaat als gevolg van de mogelijke toename van leegstand. Volgens de Afdeling had het gemeentelijk detailhandelsbeleid de strekking dit belang te beschermen en zodoende stond het relativiteitsbeginsel niet aan het beroep van de supermarkt in de weg. Afgaande op deze uitspraak lijkt het er op dat ook concurrenten zich met succes op artikel 3.1.6 lid 2 Bro zullen kunnen beroepen zonder dat het relativiteitsbeginsel hieraan in de weg staat. Ook die bepaling is immers bedoeld om vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, over- en ondercapaciteit in stedelijke ontwikkeling en dus leegstand, te voorkomen. Niettemin zal er nog vaak worden geprobeerd om concurrenten met een beroep op artikel 8:69a Awb buiten de deur te houden, maar we zullen nog moeten zien in hoeverre dat succes heeft.