Op 1 juli 2016 is de Wet civielrechtelijk bestuursverbod in werking getreden. Deze wet is samen met de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude gericht op het bestrijden van faillissementsfraude en tracht te voorkomen dat de in een eerder stadium frauderende bestuurders hun activiteiten voortzetten door simpelweg een nieuwe vennootschap op te richten.

Om een dergelijk civielrechtelijk bestuursverbod kan worden verzocht door (i) de curator van een failliete rechtspersoon en (ii) het Openbaar Ministerie. Dit kunnen zij doen wanneer gedurende of in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement van een rechtspersoon:

I. de bestuurder aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikelen 2:138 of 2:248 BW; II. de bestuurder doelbewust rechtshandelingen heeft (i) verricht, (ii) heeft toegelaten, of (iii) heeft mogelijk gemaakt waardoor de schuldeisers van de rechtspersoon wegens het voornoemde (paulianeus) handelen aanmerkelijk zijn benadeeld én de rechter deze rechtshandelingen overeenkomstig artikel 42 of artikel 47 van de Faillissementswet heeft vernietigd; III. de bestuurder in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van de informatie- of medewerkingsverplichtingen jegens de curator; IV. de bestuurder ten minste tweemaal eerder betrokken is geweest bij een faillissement van een rechtspersoon en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft; of V. de bestuurder een boete is opgelegd omdat hij de belastingplicht heeft geschonden.

Overigens kan een bestuurder of commissaris zich disculperen door aan te tonen dat (i) het handelen niet aan hem te wijten is en (ii) hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen. Alsdan zal de rechter geen bestuursverbod uitspreken. Wanneer een rechter wél besluit tot een bestuursverbod, dan kan de rechter aan een bestuurder of commissaris een verbod opleggen voor een periode van maximaal 5 jaar.

Vooruitblik op het openbaar register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten (UBO's) (in werking per 26 juni 2017)

In de vierde anti-witwasrichtlijn is afgesproken dat alle EU-lidstaten uiterlijk op 26 juni 2017 een Ultimate Beneficial Owner ("UBO") register hebben ingesteld. Een UBO- register verschaft accurate en actuele informatie over de uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten. Men wordt aangemerkt als een UBO indien men formele of feitelijke zeggenschap heeft over een vennootschap of entiteit. Indicaties daarvan zijn onder meer een belang van minimaal 25% van de aandelen en/of stemrechten of de bevoegdheid om bestuurders te ontslaan.

Het UBO-register is een belangrijke factor bij het opsporen van criminelen die hun identiteit achter vennootschappen en andere juridische entiteiten kunnen verbergen. Door deze informatie in een UBO-register transparant te maken, kan misbruik van vennootschappen en andere juridische entiteiten beter worden tegengegaan. Een dergelijk register zal in Nederland openbaar worden en wordt gekoppeld aan vier (privacy)waarborgen: (i) iedere gebruiker zal worden geregistreerd, (ii) er zal een vergoeding gevraagd worden voor inzage, (iii) gebruikers anders dan specifiek aangewezen autoriteiten zoals de AFM, De Nederlandsche Bank, de Belastingdienst en de FIU-NL (Financial Intelligence Unit) krijgen inzage in een beperkte set gegevens over de UBO en (iv) bij een risico op bijvoorbeeld kidnapping, chantage, geweld of intimidatie wordt steeds per individueel geval een nauwkeurige beoordeling gemaakt van de risico's en wordt bezien of (bepaalde) UBO-informatie kan worden afgeschermd.

Men is voornemens om iedereen toegang te geven tot een beperkte set van zes gegevens over een UBO: naam, geboortemaand, geboortejaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de UBO gehouden economische belang. In aanvulling op de beperkte set gegevens worden aan bepaalde autoriteiten aanvullende gegevens verstrekt die relevant zijn in het kader van hun werkzaamheden.