Op 7 mei 2018 verduidelijkte het Hof van Beroep te Gent[1] opnieuw enkele omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat een uitoefening van de principiële vrijheid van handel en concurrentie toch een onrechtmatige handelspraktijk kan uitmaken. De vrijheid van mededinging impliceert dat men in principe vrij is om o.m. reclame te maken en cliënteel af te werven. Alleen wanneer deze handelspraktijken gepaard gaan met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden, kunnen zij een onrechtmatig karakter krijgen.

De zaak te Gent betrof concurrerende verzekeringsmakelaars. Hoewel de verwerende partijen hun effectieve exploitatiezetel elders hadden, parkeerde zij voortdurend twee bestelwagens en een aanhangwagen met reclame-opdrukken bij de maatschappelijke zetel van één van hen, gelegen vlakbij de zaak van eisende partij. De rechtmatigheid van de reclameboodschap zelf werd niet betwist. De voertuigen waren echter duidelijk zichtbaar vanuit de vertrekken en wachtkamer van de zaak van eisende partij.

Het Hof oordeelde dat deze reclamevoering en (poging tot) afwerving van cliënteel in casu onrechtmatig was door de begeleidende omstandigheden. Zij nam hiervoor volgende elementen in overweging: (i) verwerende partijen maakten niet aannemelijk dat zij de bestelwagens en aanhangwagen nodig hadden op het adres van hun maatschappelijke zetel (deze werden dan ook amper verplaatst); (ii) verwerende partijen maakten evenmin aannemelijk dat de zaak effectief uitgebaat werd op het adres van de maatschappelijke zetel; en tot slot, (iii) de reclame schoot haar normaal doel voorbij aangezien zij enkel zichtbaar was vanuit de ruimtes van de zaak van eisende partij, en niet of nauwelijks vanop de openbare weg. Gelet op deze begeleidende omstandigheden, maakten verwerende partijen zich schuldig aan oneerlijke handelspraktijken in strijd met artikel VI.104 van het Wetboek Economisch Recht.