Het Hof van Justitie werd verzocht om een antwoord te geven op de prejudiciële vraag of het gebruik door een handelaar van een methode[1] voor het sluiten of aanpassen van overeenkomsten betreffende het verrichten van telecommunicatiediensten, waarbij een consument het definitieve besluit over de transactie moet nemen in aanwezigheid van de koerier die de modelovereenkomsten overhandigt, als een agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moet worden aangemerkt in de zin van artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29[2] (i.e. artikelen VI. 101 en 102 WER).

Ten eerste verduidelijkt het Hof dat deze methode voor het sluiten van overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder alle omstandigheden (‘per se’) als een agressieve handelspraktijk moet worden aangemerkt omdat de praktijk niet overeenkomt met één van de in de punten 24 tot en met 31 van bijlage I bij richtlijn 2005/29 opgesomde situaties (equivalent van artikel VI. 103 WER), die een volledige en uitputtende lijst van agressieve handelspraktijken inhoudt.

Ten tweede vraagt de verwijzende rechter zich af of een handelspraktijk – zoals die aan de orde in het hoofdgeding – als agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moeten worden gekwalificeerd louter op grond dat de consument niet vooraf en individueel alle modelovereenkomsten heeft ontvangen. Het Hof merkt op dat er geen sprake is van agressieve handelspraktijken in de mate dat de consument de mogelijkheid heeft gehad om – vóór het bezoek van de koerier, op de website van de handelaar of via een telefoongesprek met de handelaar bijvoorbeeld – kennis te nemen van de inhoud van de modelovereenkomsten. Bovendien is het Hof van mening dat, om tot de slotsom te komen dat er van een dergelijke praktijk sprake is, immers nog vereist is dat het gedrag van de handelaar als ongepaste beïnvloeding in de zin van artikel 2, onder j) van Richtlijn 2005/29 kan worden beschouwd.

Ten slotte buigt de verwijzende rechter zich over de vraag of het gebruik van de methode voor het sluiten van overeenkomsten die in het hoofdgeding aan de orde is, als een agressieve handelspraktijk door ongepaste beïnvloeding moet worden aangemerkt. Wat dit laatste punt betreft is het Hof van mening dat handelspraktijken die gedragingen inhouden waardoor dusdanige druk op de consument wordt uitgeoefend zodat zijn keuzevrijheid aanzienlijk wordt beperkt, als agressief moeten worden aangemerkt. Het Hof verklaart evenwel dat de loutere omstandigheid dat de koerier de consument verzoekt zijn definitieve commerciële besluit te nemen zonder hem de tijd te geven die hem passend lijkt om de overhandigde stukken te bekijken, niet als een agressieve handelspraktijk kan worden aangemerkt in de mate dat de consument daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen van de modelovereenkomsten