Op 20 december 2017 deed de correctionele rechtbank te Brugge uitspraak omtrent een strafvordering die was ingesteld voor daden die strijdig waren met de eerlijke handelspraktijken.[1]

De beklaagde werd verweten producten te verkopen waarvan de tijdige beschikbaarheid niet kon worden gegarandeerd (kwalificerend als een misleidende handelspraktijk in de zin van artikel VI.97 WER) en door niet alle consumenten, ingeval van herroeping van de online aankoop, te hebben vergoed (in strijd met artikel VI.50 WER).

De feiten waren bewezen in hoofde van beklaagde. De rechtbank verleende hem echter, gelet op zijn blanco strafverleden, de gunst van de opschorting van de uitspraak.

Deze uitspraak illustreert dat inbreuken op de eerlijke handelspraktijken inderdaad nog altijd strafbaar worden gesteld, en dat hoewel in de overgrote meerderheid van de gevallen het dossier geregeld wordt met een minnelijke schikking, hetzij op het niveau van de FOD economie, hetzij het Parket, in de praktijk in een zeer beperkt aantal gevallen de strafsanctie ook effectief wordt afgedwongen tot voor de correctionele rechtbank.