Op 12 april 2017 heeft (demissionair) minister Kamp een wetsvoorstel inhoudende een regeling voor franchiseovereenkomsten naar de Tweede Kamer gestuurd.

In dit wetsvoorstel wordt een nieuwe titel 6 in boek 7 geïntroduceerd waardoor een deel van de Nederlandse Franchise Code (NFC) van toepassing zal zijn op alle franchiseovereenkomsten. De NFC is een zelfregulering voor de franchisebranche. Deze NFC is door franchisegevers kritisch ontvangen. Naast precontractuele informatieverplichtingen gaat de code in op de vereisten van een franchiseovereenkomst, de verplichtingen van de franchisegever, de rol van een franchiseraad en de uitbreiding en beëindiging van franchiseovereenkomsten. Franchisegevers menen dat de code de contractsvrijheid teveel inperkt en geen recht doet aan de aard van de franchiseovereenkomst waarin de franchisegever eigenaar is van de formule en de uniformiteit en kwaliteit bewaakt. De NFC is daarentegen door franchisenemers warm onthaald.

Met het wetsvoorstel zal een bijzondere regeling voor de franchiseovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek worden vastgelegd. Op basis van die regeling wordt het vervolgens mogelijk om bij Algemene Maatregel van Bestuur een gedragscode of onderdeel daarvan verbindend te verklaren op alle franchiseovereenkomsten. De NFC wordt aldus niet zelf in het Burgerlijk Wetboek opgenomen en doorloopt ook geen wetgevingstraject.

Volgens het wetsvoorstel mogen contractspartijen alleen afwijken van de NFC als dit deugdelijk is gemotiveerd. De motivering moet een inhoudelijke rechtvaardiging van de afwijking inhouden en moet duidelijk maken waarom toepassing van de NFC niet haalbaar is. Bij onvoldoende motivering of indien de afwijking onredelijk bezwarend is voor franchisenemers, kan de afwijking op verzoek van een franchisenemer worden vernietigd, zelfs als de franchisenemer uitdrukkelijk akkoord was gegaan met de afwijking. De afwijking wordt dan terzijde gesteld en in plaats daarvan geldt alsnog, en met terugwerkende kracht, de NFC. Franchisegever moet bovendien de schade vergoeden die de franchisenemer heeft geleden door af te wijken van de NFC.

Een ander belangrijk element in het wetsvoorstel is de definitie van franchiseformule. Deze luidt: “Een formule die in ieder geval omvat: 1. een gemeenschappelijk handelswerk, model/gebruiksmodel of een gemeenschappelijke handelsnaam, huisstijl of tekening; 2. know how als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g van de Verordening EU, nr. 330/2010”.

De definitie bevat derhalve een combinatie van: 1. diverse intellectuele eigendomsrechten; 2. know how die niet beschermd wordt door een intellectueel eigendomsrecht.

De code bevat een definitie van franchise die afwijkt van de in het arrest Paalman/Lampenier door de Hoge Raad gehanteerde definitie en van de definitie in de Europese erecode franchising. De definitie van de franchiseovereenkomst in de NFC luidt als volgt: “De vaststelling van de samenwerking waarin de rechten en verplichtingen van de franchisegever en de franchisenemer beschreven staan, betreffende exploitatie van een onderneming van de franchisenemer volgens de franchiseformule”.

De code bevat, zoals gebruikelijk in het contractenrecht, open normen. De franchisegever moet zich maximaal inspannen om de kracht en voordelen van de franchiseformule verder te ontwikkelen.

Hoewel in het arrest Paalman/Lampenier is bepaald dat uit hetgeen redelijkheid en billijkheid eisen niet de algemene regel voortvloeit dat op de franchisegever een verbintenis rust om de franchisenemer in te lichten omtrent de te verwachten omzet of omtrent de winstverwachting, bepaalt de code in lijn met lagere rechtspraak dat bij voorkeur een zorgvuldig en transparant omzet- en kostenprognose wordt verstrekt. Dit omvat een vestigingsplaatsonderzoek en/of beschikbare historische gegevens en een begrijpelijk onderbouwde en deugdelijke investerings- en exploitatiebegroting. De franchisenemer mag uitsluitend worden verplicht tot het sluiten van overeenkomsten met derden voor zover deze in direct verband staan met de uitvoering van de franchiseformule. Partijen moeten redelijkheid en billijkheid in acht nemen bij beslissingen over verlenging en beëindiging van de franchiseovereenkomst. Een verzoek tot beëindiging of tussentijdse overdracht van onderneming van de franchisenemer mag niet op onredelijke gronden worden verhinderd. Een franchisegever heeft een structuur voor overleg met de franchisenemer en bepaalt in overleg over welke onderwerpen deze instemmings- of adviesrecht hebben.

Tot slot verwijst de code naar een geschillencommissie franchise.