Kenmerken verhuurderheffing

Sinds de invoering van de verhuurderheffing is de heffing op een aantal punten gewijzigd. Thans zijn verhuurders die meer dan 50 huurwoningen bezitten, de heffing verschuldigd. Het gaat hierbij om huurwoningen waarvan de huur niet hoger is dan EUR 710,68 per maand (prijspeil 2018). De verhuurderheffing is 0,591% van de WOZ-waarde van de huurwoningen (prijspeil 2018). Dit tarief loopt op tot 0,593% in 2022. Vanaf 2023 is het tarief 0,567%. De WOZ-waarde is bovendien gemaximeerd op EUR 250.000,- (deze grens wordt jaarlijks geïndexeerd).

De verhuurderheffing wordt berekend over de totale WOZ-waarde van de woningen, verminderd met 50 x de gemiddelde WOZ-waarde van de woningen.

Indien de verhuurder investeert in transformatie (het omvormen van kantoren of scholen tot woningen), sloopt in krimpgebieden of Rotterdam-Zuid, verbouwt in Rotterdam-Zuid of nieuwbouw pleegt van huurwoningen met een huur lager dan EUR 597,30 (prijspeil 2018), dan is de verhuurder minder verhuurderheffing verschuldigd. Op de verhuur van Rijksmonumenten is geen verhuurderheffing verschuldigd.

Hof Den Bosch

Fair balance

De verhuurders zien hun winsten dalen door de verhuurderheffing. De verhuurderheffing kan namelijk niet geheel worden voldaan uit de (maximaal) toegestane huurverhogingen. Belanghebbende meende hierdoor dat de verhuurderheffing strijdig is met het beginsel van "fair balance". Het Hof volgt belanghebbende hierin niet, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De doelstelling van de overheid (versterking overheidsfinanciën) en de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven door de introductie van de verhuurderheffing, leveren geen onredelijke heffing op. Hierdoor is de verhuurderheffing naar het oordeel van het Hof niet strijdig met het beginsel "fair balance". Dit is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2018.

Individuele buitensporige last

Daarnaast voerde belanghebbende aan dat sprake is van een buitensporige last, onder meer doordat de verhuurderheffing niet gecompenseerd kan worden door een huurstijging. Van een individuele en buitensporige last kan alleen sprake zijn indien belanghebbende aantoont dat deze last zich in belanghebbendes geval sterker laat voelen dan in het algemeen (Hoge Raad 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115 en Hoge Raad 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65). Het Hof is van mening dat geen sprake is van een buitensporige last, nu belanghebbende ook andere mogelijkheden heeft deze last op te vangen.