Op 16 december 2016 heeft de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over het niveau waarop cliëntenraden moeten worden ingesteld. De uitspraak is bereikbaar via deze link.

Wijziging van de medezeggenschapsstructuur

In bovengenoemd arrest stond de vraag centraal of de gewijzigde inrichting van de medezeggenschap van Lunet Zorg (Lunet) in overeenstemming was met de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Lunet had per 1 januari 2014 een nieuwe organisatiestructuur ingevoerd, waarbij de inrichting en organisatie van de zorg was gewijzigd van regionaal naar clustergewijs. Vervolgens is een nieuwe medezeggenschapsstructuur ingevoerd, waarmee beoogd is om aan te sluiten bij de gewijzigde organisatiestructuur.

De medezeggenschap werd daardoor niet langer geografisch georganiseerd (lokaal, regionaal en centraal), maar er werd aangesloten bij de verschillende organisatie-eenheden. In de nieuwe situatie werd een cliëntenraad op centraal niveau en op het niveau van de clusters ingesteld. Een tweetal lokale cliënten(vertegenwoordigings)raden waren het niet eens met deze wijziging. Zij vorderden dat zij in de nieuwe medezeggenschapsstructuur alsnog als cliëntenvertegenwoordigingsraden zouden worden erkend en in die hoedanigheid alsnog actief zouden worden betrokken bij de medezeggenschap binnen de zorgorganisatie.

De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen

De Wmcz bepaalt dat een zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad dient in te stellen.1 De Wmcz definieert ‘instelling’ kortweg als (i) een instelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi), (ii) een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarbij de zorg wordt gefinancierd op grond van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg, of (iii) indien het verslavingszorg betreft, een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband dat door de minister, gemeente of provincie wordt gefinancierd.2

Toepassing WMCZ

Lunet is een zorginstelling met een toelating in de zin van de Wtzi. In dat kader is zij gehouden om een (centrale) cliëntenraad in te stellen. De vraag is echter of Lunet voor de (tot op zekere hoogte) zelfstandig functionerende onderdelen waar daadwerkelijk de zorg wordt verleend (de locaties), ook cliëntenraden dient in te stellen.

De Hoge Raad overweegt allereerst dat de WMCZ betrekking heeft op van elkaar te onderscheiden organisatorische verbanden die uit collectieve middelen worden gefinancierd. Verder is de opzet van de wet (ondanks diverse wetswijzigingen) niet veranderd, waarbij geldt dat per ‘instelling’ (niet meer dan) één cliëntenraad in het leven moet worden geroepen.

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat door diverse organisatorische ontwikkelingen in de gezondheidszorg, de wettekst van de WMCZ niet meer aansluit bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. Oftewel, de wettekst verplicht niet meer tot het organiseren van medezeggenschap op het niveau waarop daadwerkelijk zorg wordt verleend. Dit is echter niet in overeenstemming met de bedoeling die de wetgever op het moment van de totstandkoming van de WMCZ had. Bij een dergelijke tegenstrijdigheid is er echter geen algemene regel waarbij hetzij de wettekst, hetzij de (oorspronkelijke) bedoeling van de wetgever van doorslaggevend belang wordt geacht.

De bedoeling van de wetgever op dit moment is volgens de Hoge Raad onvoldoende duidelijk. Ook uit het politieke debat blijkt onvoldoende op welk niveau zorgaanbieders cliëntenraden zouden moeten instellen. Het niveau waarop zorg wordt verleend is volgens de Hoge Raad niet hetzelfde als een organisatorisch verband. De Hoge Raad besluit daarom dat in dit geval de tekst van de wet leidend moet zijn en dat Lunet daarmee niet verplicht is tot het organiseren van medezeggenschap op het niveau waarop daadwerkelijk zorg wordt verleend.

De Hoge Raad heeft hiermee (in ieder geval tot er een wetswijziging plaatsvindt) kenbaar gemaakt dat niet voor iedere locatie waar een zorgaanbieder zorg verleent een aparte cliëntenraad ingesteld hoeft te worden.

Vragen Kamerleden en Wetsvoorstel nieuwe WMCZ

Op 30 september 2016 is er een wetsvoorstel voor een nieuwe Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen ter consultatie aangeboden.3 In reactie op vragen van Kamerleden Dik-Faber (ChristenUnie) en Bouwmeester (PvdA) over het wetsvoorstel en de uitspraak van de Hoge Raad, heeft minister Schippers (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) op 15 februari 20174 laten weten dat zij in de nieuwe wet een verduidelijking zal opnemen ten aanzien van de bedoelingen die de wetgever voor ogen heeft met de WMCZ. Zo heeft zij het voornemen om specifiek voor instellingen die thuis zorg verlenen te verplichten een cliëntenraad per locatie, zorgsoort of doelgroep in te stellen indien cliënten of hun vertegenwoordigers hier beargumenteerd om verzoeken. Voorts heeft Minister Schippers aangegeven dat in de nieuwe WMCZ voor het instellingsbegrip zal worden aangesloten bij de definitie uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg.5

Tot slot verwacht Minister Schippers niet dat zorgaanbieders door dit arrest zullen besluiten tot het opheffen van cliëntenraden. Zowel voor de zorgaanbieder als de cliëntenraad zou de medezeggenschap zoals die nu is (in het algemeen) naar beider tevredenheid werken. Tevens dient bij de opheffing van een cliëntenraad de medezeggenschapregeling ingetrokken te worden. Indien de cliëntenraad hier niet mee instemt, is er toestemming van een commissie van vertrouwenslieden nodig. Toetsingscriterium daarbij is of de zorgaanbieder in redelijkheid tot opheffing kan komen.