Na het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Brussel van 3 mei 2021, waarin de MIVB/STIB werd veroordeeld tot het beëindigen van haar neutraliteitsbeleid wegens discriminatie op grond van geloofsovertuiging en geslacht, heeft ook het Hof van Justitie van de Europese Unie zich over een gelijkaardige zaak uitgesproken.

Een Duitse vereniging die kinderdagverblijven exploiteert, verbiedt haar werknemers om op de werkplek zichtbare tekens van politieke, filosofische of religieuze overtuiging te dragen bij contacten met ouders of kinderen.

Een onderneming die een drogisterijketen exploiteert in Duitsland, verbiedt haar werknemers om op de werkplek grote, opvallende politieke, filosofische of religieuze tekens te dragen.

Twee werkneemsters uit bovengenoemde ondernemingen, de ene werkzaam als orthopedagogisch verzorgster en de andere als verkoopadviseur en kassière, werden verboden een hoofddoek te dragen op de werkplek op grond van het genoemde neutraliteitsbeleid.

Zij besloten beide zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie.

Uitspraak van het Europees Hof van Justitie

Het Hof van Justitie van de EU heeft geoordeeld dat een dergelijk neutraliteitsbeleid geen directe of indirecte discriminatie vormt indien:

  • Het beleid op een algemene en niet-gedifferentieerde wijze wordt toegepast.
  • Dit verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd door de wens van de werkgever om een beleid van politieke, filosofische en religieuze neutraliteit ten aanzien van klanten of gebruikers te voeren, op voorwaarde dat
    • ten eerste, het beleid beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de werkgever, hetgeen hij dient aan te tonen aan de hand van onder meer de legitieme verwachtingen van zijn klanten of gebruikers en de nadelige gevolgen die hij, gezien de aard of de context van zijn activiteiten, zonder dat beleid zou ondervinden;
    • ten tweede, het verschil in behandeling geschikt is om een goede toepassing van het neutraliteitsbeleid te verzekeren, wat veronderstelt dat het beleid coherent en systematisch wordt nagestreefd; en
    • ten derde, het verbod niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is gezien de ware omvang en ernst van de nadelige gevolgen die de werkgever met het verbod tracht te vermijden.
  • Het verbod geldt voor elke zichtbare uitingsvorm van politieke, levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging.

Ten slotte kunnen nationale bepalingen die de godsdienstvrijheid beschermen, als gunstiger bepalingen worden meegewogen bij de beoordeling of een indirect op godsdienst of overtuiging gebaseerd verschil in behandeling passend is.