In het Albron-arrest oordeelde het Hof van Justitie EU (HvJ EU) dat binnen een concern de groepsmaatschappij waarbij de werknemers (intra-concern) tewerk zijn gesteld, maar waarmee zij niet een arbeidsovereenkomst hebben, kan worden beschouwd als vervreemder in de zin van Richtlijn 2001/23/EG.

Omdat de door deze richtlijn geboden bescherming bij verandering van ondernemer betrekking heeft op de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit op dat moment bestaande arbeidsovereenkomsten of arbeidsbetrekkingen moet, zo overwoog het HvJ EU, op het moment van overgang “hetzij een arbeidsovereenkomst, hetzij, in plaats daarvan en dus als gelijkwaardig alternatief, een arbeidsbetrekking” bestaan met de in de onderneming werkzame werknemer. Van een dergelijke arbeidsbetrekking is naar het oordeel van het HvJ EU sprake wanneer de werknemer "permanent" is tewerkgesteld bij een “niet-contractuele werkgever” en deze verantwoordelijk is voor de economische activiteit van de overgedragen eenheid. De Hoge Raad heeft de overwegingen van het Hof van Justitie in het Albron-arrest zo uitgelegd dat de intra-concern gedetacheerde werknemer met een arbeidscontract met een personeels-BV, bij de overgang van de onderneming van de groepsmaatschappij waarbij hij "feitelijk werkzaam" is, van rechtswege mee overgaat naar de verkrijger van die onderneming (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1780).

In deze annotatie bespreekt Johan Zwemmer de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2018 waarin de Albron-jurisprudentie wordt toepast op de situatie waarin de onderneming van de opdrachtgever van het payrollbedrijf overgaat. Gevolg hiervan is dat de arbeidsovereenkomst van de payrollwerknemer van rechtswege is overgegaan naar de verkrijger van de onderneming van de opdrachtgever van het payrollbedrijf (en de werknemer als gevolg van de overgang van de onderneming dus geen payrollwerknemer meer is). Dat in deze uitspraak de Albron-jurisprudentie wordt toegepast bij payrolling is volgens de auteur niet onbegrijpelijk. Hoewel in het Albron-arrest sprake was van intra-concern detachering, vormde deze omstandigheid in de overwegingen van het HvJ EU geen zelfstandig vereiste voor het van toepassing zijn van Richtlijn 2001/23/EG. Ook de Hoge Raad heeft de overwegingen van het HvJ EU niet beperkt tot de situatie waarin sprake is van intra-concern detachering.