Recent heeft het Hof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat een vrijwillige vertrekregeling in een sociaal plan niet kwalificeert als een verkapt vroegpensioen, ofwel een Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). Dit betekende dat de werkgever de hoge fiscale boete van 52% niet hoefde te betalen. Deze uitspraak is een opluchting voor werkgevers die reorganiseren, maar ook voor de (55-plus) werknemers die immers zelf vaak ook gebruik willen maken van vrijwillige vertrekregelingen.

Waar ging de zaak over?

Een werkgever kondigde in 2013 een reorganisatie aan als gevolg waarvan meer dan 200 arbeidsplaatsen zouden vervallen. Met de vakbonden was een sociaal plan overeengekomen, dat onder meer voorzag in een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling voor de boventallige werknemers. De werknemers die daarvan gebruik maakten, ontvingen een ontslagvergoeding op basis van de (oude) kantonrechtersformule.

Volgens de Inspecteur van de belastingdienst kwalificeerde het sociaal plan als een RVU. Hij legde de werkgever de zogenoemde RVU-boete op, welke bovenop de belasting komt die de werknemer zelf moet betalen.

De werkgever stapt naar de rechter. Die stelt hem in het gelijk. De rechter vond dat de werkgever niet de intentie had om met de vertrekregeling nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien.

De Inspecteur komt hiertegen in hoger beroep.

Hof ’s-Hertogenbosch

Bij de beantwoording op de vraag of sprake is van een RVU sloot het Hof aan bij het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2016. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een RVU gaat het erom of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de werkgever om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden, doen in dit verband niet ter zake. De objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling in het sociaal plan en de feitelijke invulling daarvan zijn leidend.

Met andere woorden, een vrijwillige vertrekregeling voor uitsluitend werknemers van 57-jaar of ouder kan gebaseerd zijn op een reorganisatie maar volgens de Hoge Raad kun je in dat geval niet volhouden dat je ouderen niet vervroegd wilde laten uittreden.

Het Hof oordeelde echter in deze zaak dat sprake is van een regeling die ertoe strekt om alle werknemers, ongeacht hun leeftijd, een mogelijkheid te bieden om vrijwillig hun dienstverband te beëindigen tegen een vertrekvergoeding. Daarnaast houdt een ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule geen verband met de leeftijd van de werknemers. Ook bleek het Hof niet dat uit de voorwaarden van de regeling volgt dat feitelijk een uitkering ter overbrugging tot aan het pensioen werd geboden: er waren geen typische “RVU-bepalingen” in het sociaal plan opgenomen, zoals dat de betreffende werknemer na beëindiging van het dienstverband geen andere werkzaamheden mag verrichten of dat inkomsten uit andere werkzaamheden in mindering komen op de beëindigingsvergoeding. Dat de feitelijke uitstroom voornamelijk oudere werknemers betrof en niet was voldaan aan het afspiegelingsbeginsel vond het Hof niet relevant.

De werkgever ging derhalve vrijuit.

Is nu een einde aan de discussie tussen belastingdienst en werkgevers?

Helaas niet. De Belastingdienst neemt geen genoegen met het vonnis van het Hof en heeft reeds een cassatieverzoek ingediend bij de Hoge Raad. Deze stap is opmerkelijk te noemen gezien de reeds aangekondigde reorganisatie bij de Belastingdienst zelf, waarbij ze zichzelf vorig jaar een RVU-boete oplegde van 170 tot 200 miljoen euro. Ofwel, met de huidige uitspraak van het Hof hoeft Wiebes zijn eigen dienst geen naheffing meer op te leggen, wat de reorganisatie bij de Belastingdienst juist stukken goedkoper zou maken!