Nieuw wetsontwerp marktpraktijken en consumentenbescherming ingediend in het Parlement

Op 24 september 2013 werd in het Parlement een wetsontwerp houdende invoeging van Boek VI “Marktpraktijken en Consumentenbescherming” in het Wetboek Economisch Recht ingediend. Behalve een loutere invoeging van de bestaande wet marktpraktijken in het Wetboek Economisch Recht worden diverse aanpassingen aan de huidige wet marktpraktijken van 6 april 2010 aangebracht. Eens te meer echter lijkt op vele vlakken de wet niet in overeenstemming met het Europees recht.

1. Achtergrond

2. Algemeen overzicht

3. Eerste evaluatie

1. Achtergrond

De bedoeling van het wetsontwerp is dubbel: ten eerste de wet marktpraktijken van 6 april 2011 in te voegen in het nieuwe Wetboek Economisch Recht. Daarnaast beoogt het wetsontwerp om de Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten in Belgisch recht om te zetten (‘Richtlijn Consumentenrechten’). 1

2. Algemeen overzicht

De Richtlijn Consumentenrechten brengt vooral op het vlak van overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten veel vernieuwingen 2 . Omdat er op deze domeinen sprake is van maximum harmonisatie herneemt het wetsontwerp dan ook in de meeste gevallen letterlijk de bepalingen van de Richtlijn Consumentenrechten. Waar de richtlijn nog in beperkte mate verdergaande bescherming toelaat, heeft de wetgever hiervan ook vaak gebruik gemaakt. Zo bijvoorbeeld voorziet het nieuwe voorgestelde artikel VI, 46, § 6 in de mogelijkheid voor de Koning om in de economische sectoren of voor de categorieën van producten die hij aanwijst te bepalen dat wanneer een overeenkomst per telefoon wordt gesloten, de onderneming het aanbod moet bevestigen aan de consument en dat de consument enkel gebonden is nadat hij het aanbod heeft getekend of schriftelijk heeft aanvaard, in voorkomend geval op een duurzame gegevensdrager. Dit gaat verder dan de harmonisatie voorzien in de Richtlijn Consumentenrechten maar is mogelijk doordat artikel 6 van de Richtlijn het toelaat. In de voorbereidende werken verwijst de wetgever in dat verband naar het nut dat dergelijke bepalingen reeds zouden gehad hebben inzake de contracten tot levering van gas en elektriciteit (waarbij de wetgever onder meer verwijst naar het akkoord “de consument in de vrijgemaakte elektriciteits- en gasmarkt”). 3

Daarnaast brengt de wetgever verschillende punctuele aanpassingen aan zoals onder meer:

  • Het onder het toepassingsgebied van de wet brengen van vrije beroepers 4 ,
  • Het niet langer uitsluiten van financiële instrumenten uit het toepassingsgebied van de wet;
  • Opheffing van de notificatieverplichtingen om uitverkoop te organiseren. Helaas heft de wetgever andere belemmeringen, zoals de beperkte gevallen waarin een uitverkoop kan worden georganiseerd, en die in strijd zijn met de Europese wetgeving 5 niet op.
  • Inzake verkoop met verlies wordt gepreciseerd dat voor de berekening van de verkoop met verlies nu wel mag worden rekening gehouden met “niet definitief verworven volumekortingen berekend op basis van 80% van de volumekorting die de onderneming in het voorbije jaar voor hetzelfde goed heeft verworven” (zie voorstel nieuwe artikel VI.116, § 1).
  • Enkele punctuele verduidelijkingen inzake sperperiodes, solden en aankondigingen van prijsvermindering.

De wetgever heeft daarentegen geen gehoor gegeven aan de diverse vonnissen en arresten en de rechtsleer dat o.m. de bepalingen inzake sperperiode, solden en aankondigingen van prijsvermindering, uitverkoop, verkoop met verlies in hun algemeenheid genomen in strijd zijn met de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken. De wetgever denkt zich wat betreft solden en sperperiodes, verkopen met verlies en diverse andere bepalingen met een kunstgreep aan het toepassingsgebied van de Richtlijn te kunnen onttrekken. De memorie van toelichting en de wetsbepalingen zelf stellen nu immers uitdrukkelijk dat de regels inzake sperperiodes, solden, verkoop met verlies enkel de belangen van ondernemingen zou dienen 6 . Aldus zou volgens de wetgever de Richtlijn oneerlijke marktpraktijken niet meer van toepassing zijn. De kritiek van de Raad van State hierop maakte kennelijk geen indruk bij de wetgever..

3. Eerste evaluatie

Onze eerste evaluatie van dit ontwerp is de volgende.

Positief is de integratie van de wet marktpraktijken in het Wetboek Economisch Recht. Uniforme definities en procedures voor het gehele economische recht zijn aan te moedigen. Positief is verder ook dat de Richtlijn Consumentenbescherming wordt omgezet. Weliswaar zal dat niet zijn tegen 14 december 2013 zoals vereist door de Richtlijn, maar hopelijk wel tegen 14 juni 2014, datum waarop de omgezette bepalingen van de richtlijn in nationaal recht in werking moeten treden. Daarnaast zijn ook een aantal van de punctuele aanpassingen nuttig.

Negatief daarentegen is dat de wetgever met dit ontwerp opnieuw vele jaren juridische onzekerheid zal veroorzaken in verband met regels inzake uitverkoop, openbare verkoop, aankondigingen van prijsvermindering, solden, sperperiodes, enz. Het is vooreerst bedenkelijk dat met een loutere aanpassing van de beweerde doelstelling (de bescherming van de kleine handelaren in tegenstelling tot vroeger het beschermen van consumenten en kleinhandelaren) de wetgever identieke bepalingen (die vroeger wel de consument beoogden te beschermen, maar nu dus plots niet meer …) plotsklaps wel uit het toepassingsgebied van de Richtlijn zou halen, zoals ook de Raad van State terecht opmerkte. Men kan zich inbeelden dat ketens zoals ZEB en INNO die van diverse rechters in België eerder al gelijk kregen dat zij de bestaande regels inzake sperperiodes op grond van strijdigheid met de Richtlijn Oneerlijke Marktpraktijken naast zich mochten neerleggen, nu ook de nieuwe wettekst naast zich zullen neerleggen. Aldus zijn we opnieuw voor vele jaren procedures en onzekerheid vertrokken. Dit zal bovendien ook tot een ongelijkheid leiden aangezien een aantal handelaren zich uit schrik voor boetes wel aan de wet zullen houden, en een aantal andere handelaren met het Europees recht in de hand toch de strijd zullen aangaan en de wet niet zullen naleven. Ten tweede is onbegrijpelijk dat ondanks een hangende procedure tegen België, de wetgever de reglementering inzake prijsverminderingsaankondigingen (en ook andere bepalingen) niet aanpast hoewel daarover geen enkele discussie kan zijn dat dit onder de Richtlijn Oneerlijke Marktpraktijken valt en ermee in strijd is. Men kan alleen maar hopen dat het Parlement ditmaal wel zal durven de Regering ‘overrulen’.