Het gerechtshof Amsterdam kreeg op 9 juli 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3398) te oordelen over een Europese aanbestedingsprocedure voor de levering van WMO-hulpmiddelen met bijbehorende dienstverlening die door een aantal gemeenten was georganiseerd. In het aanbestedingsdocument is de eis opgenomen dat alle op te geven prijzen en kortingspercentages realistisch en marktconform zijn. Realistisch en marktconform houdt volgens het document in dat de inschrijver eerlijke, kostendekkende en in de markt gebruikelijke prijzen en kortingspercentages opgeeft. Dit is een knock-out eis.

Eén van de verliezende inschrijvers, Welzorg, maakt in kort geding bezwaar tegen de voorgenomen gunning aan Meyra, omdat hij meent dat Meyra op bepaalde gunningscriteria niet realistisch en/of marktconform heeft ingeschreven. De voorzieningenrechter oordeelt in het vonnis van 30 januari 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0665) dat de gemeenten nog niet tot definitieve gunning aan Meyra kunnen overgaan, maar dat zij eerst moeten onderzoeken of de beoogd winnaar op beide gunningscriteria kostendekkend heeft ingeschreven. Omdat de gemeenten zelf hebben verklaard niet over de daartoe benodigde kennis te beschikken, dienen de gemeenten, aldus de voorzieningenrechter, een externe deskundige in te schakelen.

De gemeenten en Meyra gaan in hoger beroep en betogen dat de benoeming van een externe deskundige, die de kostendekkendheid van door Meyra aangeboden prijzen zal beoordelen, in strijd is met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie. Het hof oordeelt dat deze grieven terecht zijn voorgesteld. De inschrijving van Meyra zou op een andere, strengere wijze getoetst worden dan die van de andere inschrijvers. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

De overige grieven hebben betrekking op het verbod van de voorzieningenrechter om tot definitieve gunning aan Meyra over te gaan. Het hof overweegt dat de gemeenten ter zitting hebben verklaard dat zij aan de hand van de eigen verklaring van de inschrijvers hebben beoordeeld of de door de inschrijvers geboden prijzen kostendekkend zijn. Dit is volgens het hof niet voldoende. De gemeenten dienen de naleving van de wezenlijke eisen, zoals de eis dat prijzen kostendekkend zijn, op enigerlei wijze zelf te verifiëren. Het hof verwijst daarvoor naar de standaardarresten van het Europese Hof van Justitie inzake Wienstrom (HvJ EU 4 december 2003, zaak C-448/01) en Succhi di Frutta (HvJ EU 29 april 2004, zaak C-496/99). Nu de gemeenten een eis hebben gesteld die zij niet kunnen verifiëren, is sprake van een ongeldig (onderdeel van een) gunningscriterium, aldus het oordeel van het hof.

Het arrest is interessant voor marktpartijen die menen dat getwijfeld moet worden aan de prijzen die in een aanbesteding zijn aangeboden door de concurrent. Het hof lijkt de lat voor inschrijvers om bezwaar te maken tegen een vermeende onrealistische lage aanbieding van de concurrent wat lager te leggen. Het feit dat eiseres ‘twijfel zaait’ over de geldigheid van de winnende inschrijving op het onderdeel van de (knock-out eis) kostendekkendheid van bepaalde prijzen, acht het hof voldoende om nader onderzoek te rechtvaardigen. Het hof acht daartoe van belang dat eiseres zeer beperkte mogelijkheden heeft om haar stelling nader te onderbouwen. Van geen van de inschrijvers kan immers worden verlangd dat zij hun aanbiedingen, die concurrentiegevoelige informatie bevatten, in kort geding openbaar maken.

In aflevering 7 van het tijdschrift JAAN (Jurisprudentie Aanbestedingsrecht) is ook een annotatie van mijn hand verschenen bij dit arrest.