Wanneer iemand een uitvinding heeft gedaan, dan kan diegene daar in principe octrooi op aanvragen. Degene die het octrooi aanvraagt, wordt de eigenaar van het octrooi, kan inbreukmakers aanpakken en licentievergoedingen incasseren. Maar hoe zit het nu als iemand een uitvinding doet in dienstverband? Komt het recht op octrooi dan toe aan de werknemer of aan de werkgever? En als het recht op octrooi toekomt aan de werkgever, heeft de werknemer dan recht op een beloning voor zijn uitvinding?

Wie heeft het recht op octrooi bij een uitvinding in dienstverband?

In de Rijksoctrooiwet wordt bepaald dat degene die een uitvinding in dienstverband doet, in beginsel ook het recht op octrooi toekomt. Het recht op octrooi komt echter toe aan de werkgever indien de aard van de dienstbetrekking meebrengt dat de werknemer uitvindingen doet van dezelfde soort als die waarop de octrooiaanvrage betrekking heeft.

Van deze wettelijke regels kan echter worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst. Het is ook verstandig dit te doen om zo discussies over de vraag aan wie het octrooi toekomt te vermijden. In de praktijk zal daartoe in arbeidscontracten een intellectueel eigendomsbeding worden opgenomen, op grond waarvan in dienstverband gedane uitvindingen en daarop betrekking hebbende intellectuele eigendomsrechten altijd aan de werkgever toekomen.

Overigens behoudt de werknemer-uitvinder wel altijd het recht om in het octrooi als uitvinder te worden vermeld, ook als het octrooi op naam van de werkgever wordt aangevraagd.

Wanneer heeft de werknemer-uitvinder recht op een beloning?

Indien de werkgever gerechtigd is om octrooi aan te vragen op een uitvinding van zijn werknemer (op grond van een beding in het arbeidscontract of op grond van die hiervoor genoemde wettelijke regeling) en de werknemer met zijn loon of andere salariscomponenten niet geacht kan worden een vergoeding te hebben ontvangen voor het gemis aan octrooi, dan is de werkgever verplicht een billijke vergoeding aan de werknemer te betalen. Dit recht van de werknemer op een vergoeding is neergelegd in de Rijksoctrooiwet.

Een dergelijke vergoeding wordt echter slechts in uitzonderlijke gevallen toegekend. In Hupkens/Van Ginneken (HR 27 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1377, NJ 1995,136) oordeelde de Hoge Raad dat, indien de werknemer is aangenomen om uitvindingen te doen van dezelfde soort als waarop de octrooiaanvraag ziet, in het algemeen kan worden aangenomen dat het overeengekomen salaris van de werknemer reeds een vergoeding bevat voor het gemis aan octrooi. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij een werknemer die werkzaam is binnen de R&D afdeling van een onderneming. In TNO/Ter Meulen (HR 1 maart 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AD7342, NJ 2003/210) bevestigde de Hoge Raad dat een beloning slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegekend en oordeelde dat daarbij de volgende omstandigheden moeten worden meegenomen: de functie van de werknemer binnen de organisatie van de werkgever, het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de werknemer, de aard en het financiële belang van de uitvinding en de mate waarin de werknemer aan de uitvinding heeft bijgedragen. Lagere rechtbanken hebben ook de rol die andere werknemers bij de uitvinding hebben gespeeld en de mate waarin de werkgever de noodzakelijke faciliteiten en onderzoeksmogelijkheden ter beschikking heeft gesteld meegewogen in hun oordeel of de werknemer recht heeft op een beloning.

Anders dan het recht op octrooi, kan het wettelijk recht op een billijke vergoeding voor het gemis aan octrooi niet contractueel worden uitgesloten. Een werknemer-uitvinder zal echter wel binnen drie jaar na toekenning van een octrooi voor diens uitvinding zijn recht op een vergoeding moeten inroepen; anders komt diens aanspraak op een vergoeding automatisch te vervallen.

Welke bedrag is redelijk?

Stel nu dat een werknemer recht heeft op een vergoeding wegens het gemis aan octrooi, dan rijst de vraag welke bedrag billijk is. De Rijksoctrooiwet bepaalt in dat verband dat de te betalen vergoeding in verhouding moet staan tot het geldelijk belang van de uitvinding en de omstandigheden waaronder de uitvinding is gedaan. De rechtspraak geeft op dat punt slechts beperkte aanknopingspunten, mede omdat in Nederland zelden rechtszaken over het recht op vergoeding worden gevoerd (vermoedelijk omdat het langdurige en kostbare procedures zijn, met als waarschijnlijke uitkomst dat geen of slechts een lage vergoeding zal worden toegekend en tegelijkertijd het gevaar ontstaat dat de werkrelatie wordt ontwricht).

In Hupkens/Van Ginneken benadrukte de Hoge Raad wel dat het geldelijk belang van de uitvinding slechts één van de omstandigheden is die moet worden meegenomen bij de bepaling van een billijke vergoeding en dat de verhouding tussen de werknemer en werknemer niet gelijk moet worden gesteld aan de relatie tussen een licentiegever en licentienemer. Daarnaast vereist de billijkheid niet dat de vergoeding voor gemis aan octrooi dient te worden afgestemd op de door de onderneming behaalde voordelen als gevolg van het gebruik van de uitvinding op een door die onderneming bepaalde wijze. Men moet dus denken aan een gratificatie-achtige vergoeding en niet aan een percentage van de door de werkgever met de uitvinding behaalde winst of een bedrag wat door een licentienemer zou worden betaald voor het gebruik van de uitvinding.

Conclusie

Het is verstandig om als werkgever in arbeidscontracten op te nemen dat de intellectuele eigendomsrechten ten aanzien van door werknemers gedane uitvindingen aan de werkgever toekomen. Tegelijkertijd dient wel in het achterhoofd te worden gehouden dat de werknemer-uitvinder recht heeft op een vergoeding wegens het gemis aan octrooi. Indien die vergoeding niet geacht kan worden onderdeel uit te maken van het vaste salaris van de werknemer, dan kan gedacht worden aan systeem waarbij een aanvullende beloning wordt uitgekeerd aan werknemers die een uitvinding doen. Als het succes van een onderneming voor een belangrijk deel op de creativiteit en inventiviteit van haar werknemers berust, dan zou een dergelijk beloningssysteem bovendien een drijfveer voor werknemers kunnen zijn om nog innovatiever en creatiever te werk te gaan.