De Hoge Raad heeft op 5 januari 2018 twee arresten gewezen die van belang zijn voor de goederenrechtelijke kwalificatie van transformatoren en andere hulpmiddelen die zich bevinden op het terrein van de afnemer en door de netbeheerder worden verhuurd. Loyens & Loeff stond Stedin Netbeheer B.V. (Stedin) bij in de procedures die hebben geleid tot deze arresten.

De procedures vinden hun oorsprong in een geschil tussen Stedin en de afnemer (Chemours) over de eigendom van twee transformatoren die in 1970 door (de rechtsvoorganger van) Stedin op het terrein van Chemours zijn geplaatst krachtens verhuur. In 2009 stelde Chemours zich op het standpunt dat de transformatoren door natrekking haar eigendom waren geworden zodat zij niet langer huurpenningen verschuldigd zou zijn.

Het geschil dat hieruit voortspruitte, werd geschikt in een Vaststellingsovereenkomst, waarin Chemours en haar ‘energy service company’ Desco erkenden dat Stedin de eigendom van de verhuurde transformatoren had en zij verklaarden mee te zullen werken aan het vestigen van een zakelijk recht ter zake. Ook werd vastgesteld dat de afspraken met betrekking tot de aansluiting en de verhuur van de transformatoren opnieuw zouden worden vastgelegd in aparte overeenkomsten, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000. Die overeenkomsten zijn een Aansluit- en Transportovereenkomst (ATO) en een Verhuurovereenkomst. In de Verhuurovereenkomst werd onder andere opgenomen dat Chemours haar medewerking zou verlenen aan het vestigen van een opstalrecht ten gunste van Stedin ter zake van de transformatoren. Chemours zelf was op haar eigen verzoek de contractspartij van Stedin in zowel de ATO als de Verhuurovereenkomst.

In het ene arrest (ECLI:NL:HR:2018:1), staat de stelling van Chemours centraal dat de drie overeenkomsten strijdig zouden zijn met de Elektriciteitswet 1998, de TarievenCode en artikel 5:20, lid 2 BW, omdat de transformatoren onderdeel zouden uitmaken van een net zodat Stedin deze niet zou mogen verhuren. Het andere arrest (ECLI:NL:HR:2018:12) heeft betrekking op de vraag of Stedin recht en belang had bij het vestigen van het overeengekomen opstalrecht.

Belang sectorspecifieke wetgeving voor uitleg 5:20, lid 2, BW

In het eerste arrest oordeelt de HR dat de Elektriciteitswet 1998 van belang is voor de vraag wie eigenaar is van de transformatoren. “Uit de parlementaire geschiedenis van art. 5:20, lid 2, BW volgt dat de vraag wat behoort tot een net waarvan een definitie in een bijzondere wet is opgenomen, dient te worden beantwoord aan de hand van die definitie in die bijzondere wet. Deze definitie geeft in zoverre uitdrukking aan de heersende verkeersopvatting betreffende de vraag wat als bestanddeel van een net aangemerkt moet worden.” Gezien de definitie van een ‘net’ in de Elektriciteitswet 1998, behoren transformatoren tot dat net, tenzij zij zich bevinden op een directe lijn of binnen de installatie van de afnemer; in een dergelijk uitzonderingsgeval is de definitie een indicatie maar niet beslissend voor de verkeersopvatting.

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat de Elektriciteitswet 1998 Stedin toestaat transformatoren te verhuren tussen beveiliging en installatie afnemer waardoor, zelfs indien de transformatoren op grond van 5:20, lid 2, BW behoren tot een net, dit niet aan de verhuur door Stedin aan Chemours in de weg staat. Strijdigheid met de wet is bij geen van de drie overeenkomsten aangetoond.

Vestiging opstalrecht

In het tweede arrest bevestigt de Hoge Raad dat voor de vordering om mee te werken aan het vestigen van een opstalrecht niet van belang is wie de eigenaar is van de transformatoren (op grond van 5:20, lid 2, jo. 3:4 BW). De transformatoren bevinden zich op de grond van Chemours en Chemours heeft ter zake van die grond en de ruimte daarboven het eigendomsrecht en gebruiksrecht. Stedin had reeds hierom recht en belang bij de vestiging van een opstalrecht dat dit gebruiksrecht doorbreekt.

Verhouding administratieve en civiele procedures

De arresten zijn verder nog van belang waar zij bevestigen dat de burgerlijke rechter weliswaar dient uit te gaan van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van besluiten met formele rechtskracht, maar dat hij niet is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die aan de besluiten ten grondslag zijn gelegd, met verwijzing naar de arresten ECLI:NL:HR:2015:661 (SNS) en ECLI:NL:HR:2015:1128 (KB-Lux). Deze vraag kwam aan de orde omdat Chemours stelde dat het Hof ten onrechte een incidenteel appel tot aanhouding in verband met twee bestuursrechtelijke procedures, had afgewezen.