De Raad voor Vergunningsbetwistingen toont zich pragmatisch in het aanvaarden van voorwaarden die niet door de enkele wil van de aanvrager te verwezenlijken zijn en input van een derde vereisen. Het besproken arrest gaat in op een project dat doorvertaling van milderende en flankerende maatregelen vereist.

Projectontwikkelaars die een vergunningsdossier voorbereiden, merken almaar meer dat de realisatie van een beoogd project tot het nemen van bepaalde extra, milieugerelateerde maatregelen verplicht. Het gaat daarbij niet zelden om mobiliteitsmaatregelen die zich buiten het projectgebied situeren.

Milderende vs. flankerende maatregelen

Dergelijke mobiliteitsmaatregelen worden veelal aangeduid met termen als “milderende maatregelen” dan wel “flankerende maatregelen”. Hoewel beide maatregelen tot doel hebben de hinder van het aangevraagde project vanuit milieuoogpunt tot een aanvaardbaar niveau te beperken, dekken zij niet dezelfde lading:

  • "Milderende maatregelen" zijn gekoppeld aan het beoogde project en worden hetzij in het project-ontwerp uitgewerkt, hetzij op het vergunningsniveau als voorwaarde opgelegd.
  • "Flankerende maatregelen" overstijgen daarentegen in principe het eigenlijke project (op het vlak van de bevoegdheid van de aanvrager of de afbakening van het projectgebied). Hun realisatie is gecompliceerder: in beginsel kunnen zij hoogstens als stedenbouwkundige vergunningsvoorwaarde worden opgelegd. Het is immers eigen aan "flankerende maatregelen" dat zij niet kunnen worden doorvertaald in het project-ontwerp.

Flankerende maatregelen als bijzondere vergunningsvoorwaarde?

De Raad voor Vergunningsbetwistingen zette recent in arrest nr. RvVb/A/1516/1394 van 2 augustus 2016 de puntjes op de “i” met betrekking tot de vraag hoe ver het vergunningverlenend bestuur kan gaan bij het opleggen van "flankerende maatregelen" onder de vorm van een bijzondere voorwaarde in een stedenbouwkundige vergunning.

De Raad brengt vooreerst in herinnering dat het vergunningverlenend bestuur bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning voorwaarden kan opleggen om de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening te waarborgen. Eén van de criteria van deze beoordeling, is de mobiliteit.

De voor de Raad bestreden vergunningsbeslissing legt als vergunningsvoorwaarde de naleving van het advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken op. Dit advies achtte onder meer een formeel engagement van de aanvrager-werkgever noodzakelijk ten aanzien van het 'Actieplan flankerende maatregelen'. Bovendien situeerde het advies dit formeel engagement voorafgaand aan de opening van het project. Het 'Actieplan flankerende maatregelen' vermeldt onder meer als flankerende maatregel: “[o]nderzoek naar een systeem in overleg met de NMBS en Blue-Bike nationaal voor Securex uit [t]e rollen. Dit met als doel om mensen vanuit andere zetels de kans te geven om met de trein naar de hoofdzetel in Gent te komen. Dit moet het aantal bezoekers met de wagen vanuit andere vestigingen reduceren”.

Hoewel de aanvrager het vermelde onderzoek niet zonder overleg met een derde partij (NMBS/Blue-Bike) kan uitvoeren, overweegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat het om een formeel engagement gaat. Dat formeel engagement betreft niets meer dan een verbintenis van de aanvrager-werkgever ten aanzien van het 'Actieplan flankerende maatregelen'. De Raad besluit dat het aangaan van een dergelijke eenzijdige verbintenis door eigen toedoen van de aanvrager kan worden gerealiseerd. Het is dus toelaatbaar is in het licht van artikel 4.2.19, § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Dit arrest bevestigt dat vergunningverlenende overheden de mogelijkheid hebben om ook formele engagementen tot uitvoering van flankerende maatregelen als bijzondere voorwaarde op te leggen. In het licht van het besproken arrest staat de betrokkenheid van derden bij de concrete uitvoering van deze flankerende maatregelen daar niet (noodzakelijk) aan in de weg.