In een planschade-uitspraak van 27 februari 2013 komen verschillende interessante vragen aan bod betreffende vergoeding van schade in verband met de aanwijzing van zogenoemde retentiegebieden (LJN: BZ2515). De aanvragers in deze zaken verzochten om vergoeding van de schade die zij stelden te lijden als gevolg van een in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen dubbelbestemming voor zijn agrarische gronden. Deze gronden kregen tevens de (dubbel-) bestemming ‘retentievoorziening’. Gronden met deze dubbelbestemming zijn bestemd voor de berging van extreem hoog oppervlaktewater met de daarbij behorende kades, andere bouwwerken, andere werken, kunstwerken en voorzieningen, met dien verstande dat de gronden, indien en voor zover als zodanig op de kaart aangegeven, tevens zijn bestemd voor de onderliggende bestemming overeenkomstig het bestemmingsplan.

Ingevolge de bij de partiële herziening van het bestemmingsplan behorende voorschriften wordt onder ‘extreem hoog oppervlaktewater’ verstaan: stand van het oppervlaktewater die slechts in zeer geringe mate voorkomt en gekoppeld is aan een overstromingskans van eens per 100 jaar. De aanvragers stelden dat de dubbelbestemming van de percelen tot waardevermindering van de ondergrond, de opstallen, voorzieningen en installaties en de agrarische bedrijven heeft geleid, omdat een redelijk denkend en handelend koper vanwege het risico van inundatie bij hoogwater een lagere koopprijs zal bieden dan zonder die dubbelbestemming. Voorts voerden zij aan dat zij zijn beperkt in de mogelijkheden om het bouwblok uit te breiden en schuilgelegenheden en kleine bouwwerken voor vee op de percelen op te richten.

Uit de uitspraak leid ik af dat de betrokken gemeenteraad en het betrokken waterschapsbestuur in deze zaak ieder advies hebben gevraagd aan een onafhankelijke deskundige. De ene deskundige oordeelde naar ik begrijp dat de dubbelbestemming van de percelen niet tot schade in de vorm van waardvermindering heeft geleid. Dit oordeel was gebaseerd op de gedachte dat schade als gevolg van inundatie bij hoogwater volledig wordt vergoed en dat een redelijk denkende en handelende koper subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij de dubbelbestemming van de percelen, buiten beschouwing zal laten, zodat die elementen niet tot het toekennen van schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO kunnen leiden. De andere deskundige oordeelde dat deze dubbelbestemming wél tot schade kon leiden.

De gemeenteraad en het dagelijks bestuur wierpen (ook) in hoger beroep de vraag op waarop dit oordeel berustte. Uit de uitspraak van de Afdeling leid ik af dat dit oordeel ‘onder meer’ berustte op de overweging dat deze planologische verandering, gezien de gevolgen van inundatie, betekenis kunnen hebben voor het benutten van de in het plan begrepen vrijstellingsmogelijkheid ten behoeve van overschrijding met bebouwing van het agrarisch bouwperceel. Een redelijk denkende en handelende eigenaar zal slechts na ophoging van de betreffende gronden van de vrijstelling gebruik maken en daardoor extra kosten maken. Dit betekent dat die verandering in zoverre een planologisch nadeel met zich brengt. Dit laat onverlet dat een redelijk denkende en handelende koper ook het in planologisch opzicht geringe risico op inundatie (eens per 100 jaar) tegen de extra kosten zal afwegen, daarbij rekening houdend met de kans dat die vrijstelling wordt verleend, en deze factoren in de waarde van die gronden zal verdisconteren.

Naast de gevolgen van de eventuele inundatie voor het gebruik maken van de planologische mogelijkheid van overschrijding met bebouwing van het agrarisch bouwperceel, werden ook nadelige gevolgen geconstateerd voor het gebruik maken van de planologische mogelijkheden voor het oprichten van schuilgelegenheden en kleine bouwwerken voor vee op gronden met de bestemming ‘agrarisch gebied’. Ophoging van de betrokken gronden ten behoeve van die schuilgelegenheden en bouwwerken heeft geen zin, zodat een redelijk denkende en handelende eigenaar ermee rekening dient te houden dat die schuilgelegenheden en bouwwerken geheel of gedeeltelijk onder water komen te staan, indien de retentievoorziening wordt toegepast.

De Afdeling bevestigt in haar uitspraak dat voor het toekennen van schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO slechts van belang zijn de ruimtelijke gevolgen van het nieuwe regime en de objectief redelijkerwijs daarvan te verwachten overlast, dat wil zeggen de overlast die inherent is aan het gebruik, zoals bij inundatie in geval van hoogwater. Voor zover schade als gevolg van inundatie volledig wordt vergoed, laat dat onverlet dat bij inundatie hinder voor de agrarische bedrijfsvoering ontstaat en dat een redelijk denkende en handelende koper gronden met een dubbelbestemming daarom lager zal waarderen dan gronden zonder die bestemming. Dit verschil in waardering is niet slechts tot subjectieve elementen te herleiden, aldus de Afdeling.

Naar ik begrijp, doelt de Afdeling daarmee (onder meer) op de hiervoor vermelde elementen, waarmee een “redelijk denkende en handelende eigenaar” of koper rekening zal houden. Voor de waarde drukkende invloed die aan deze elementen is toe te rekenen, biedt de volledige vergoeding van schade als gevolg van de inundatie zelf geen uitkomst. De Afdeling doelt echter ook op de omstandigheid dat “bij inundatie hinder voor de agrarische bedrijfsvoering ontstaat en dat een redelijk denkende en handelende koper gronden met een dubbelbestemming daarom lager zal waarderen dan gronden zonder die bestemming.”

Deze overweging begrijp ik minder goed. Indien immers inundatieschade volledig vergoed wordt, ligt in die vergoeding toch ook een vergoeding van de door de Afdeling bedoelde hinder besloten? Welke objectief te bepalen schade resteert dan? Schade die te herleiden is tot de vrees dat inundatieschade niet volledig vergoed wordt? Is dat in objectieve zin redelijkerwijs te verwachten overlast van een ruimtelijk gevolg van het bestemmingsplan?